Vasili Vasileevich Kandinsky
Strahlenlinien (Uitstralende lijnen)
1927
moderne kunst
Zijn leven lang streefde Kandinsky ernaar om te komen tot wat hij de 'absolute kunst' noemde. Van invloed was de theosofie, een spirituele leer die uitging van een hogere kosmische waarheid boven onze zichtbare wereld. In 1912 omschreef Kandinsky in zijn boek 'Uber das Geistige in der Kunst' hoe de kunst deze hogere absolute waarheid weer kon geven. Belangrijk was dat de kunstenaar zijn innerlijke gevoel wist te verbeelden. Hij moest zich niet richten op het naschilderen van de wereld om hem heen, dit zou alleen maar afleiden.
Om dit op een juiste, zuivere manier te doen ontwikkelde Kandinsky een uitvoerige kleur- en vormentheorie. Elke kleur en elke vorm en alle mogelijke combinaties daarvan verbeeldden een eigen psychologische waarde. Zo omschreef hij de kleur geel in 1923 als: warm, licht excentrisch, naar voren tredend en actief. Geel had in zijn theorie de vorm van een driehoek. Rood was voor hem de kleur met de grootste intensiteit en hoorde bij het vierkant. Met deze combinaties kon vrijelijk worden gecombineerd, elke afwijkende combinatie bracht weer nieuwe uitdrukkingen met zich mee.







