Onderzoek

Valse berkemeiers op Van Meegeren’s Vermeervervalsing

Door prof. dr. H. E. Henkes (1918 - 2010), 9 februari 2011.


In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd het schilderij 'De Emmaüsgangers' ten onrechte aangemerkt als een belangrijk vroeg zeventiende-eeuws werk van Johannes Vermeer en aangekocht door Museum Boijmans Van Beuningen. Pas na de Tweede Wereldoorlog bleek het om een vervalsing te gaan uit 1937, vervaardigd door Han van Meegeren (1889-1947).

vanmeegerenOnderzoek naar pre-industrieel glaswerk geeft ons de mogelijkheid om het befaamde schilderij nogmaals te ontmaskeren. De twee afgebeelde wijnglazen op tafel doen in eerste instantie denken aan vroeg zeventiende-eeuwse Duitse berkemeiers, voorlopers van de roemers, zoals die in Nederland in die tijd in gebruik waren. Bij nauwkeurige bestudering van de weergegeven vorm blijkt dat hier een berkemeier-vorm is weergegeven die in de zeventiende eeuw geheel niet voorkwam.

De berkemeier, ook wel ‘vroege roemer’ genoemd, was in de zestiende en eerste helft van de zeventiende eeuw in de Noordelijke Nederlanden een populair drinkglas. Het is een wijnbeker van groen woudglas, over de onderste helft versierd met opgelegde en uitgetrokken glasdruppels, de zogenaamde ‘doornnoppen’, en uitlopend in een konische kelk. De roemer, die tegen het einde van de zestiende eeuw opkomt, onderscheidt zich van de berkemeier door de bolle vorm van de kelk.

De naam ‘berkemeier’ was in Duitsland als benaming van een glazen noppenbeker onbekend, maar komt in de middeleeuwen wel voor als omschrijving van een (berken-)houten beker.135 De berkemeier werd in Duitsland onder de naam ‘roemer’ voor de eigen markt en voor export naar de Nederlanden geproduceerd. De benaming roemer als drinkglas is ons uit Nederlandse bronnen uit het midden van de zestiende eeuw bekend, maar welke voorstelling wij ons daarbij van het betreffende drinkglas moeten maken wordt uit de geschreven tekst niet direct duidelijk.136 Het gaat daarbij zeker niet om het glas dat wij nu als roemer kennen. Dat type komt pas tegen 1600 in ontwikkeling. Steun voor de opvatting dat het om een drinkglas van het type berkemeier gaat wordt geleverd door afbeeldingen van dergelijk glazen – zeker geen roemers – op appliques die zijn aangebracht op laat zestiende-eeuwse steengoed kruiken. De randschriften die daarbij zijn aangebracht spreken van een ‘Ro(o)mer’.137

De berkemeier is ontwikkeld uit de vroeg veertiende-eeuwse noppenbeker: een cilindrische beker met glasdruppels en een naar buiten gebogen bovenrand. In de vijftiende eeuw krijgt deze beker een lichte tonvorm, terwijl de glasnoppen die aanvankelijk op slakkenhuisjes lijken, groter worden gemaakt en tot een doorn worden uitgetrokken. De beker gaat daarbij een beetje op een koolstronk zonder bladeren lijken, vandaar de Duitse naam ‘Krautstrunk’. Een volgende stap in de ontwikkeling is een laag model ‘koolstronk’ met één rij grote vlakke noppen, een type dat omstreeks 1500 naast de hoge koolstronk in gebruik is. Deze lage bekervorm wordt verder ontwikkeld: de gebogen bovenrand wordt uitgestrekt en gaat een groter gedeelte van de bekerwand innemen. Rond het midden van de zestiende eeuw ontstaat er een konische beker waarvan de wand over de onderste helft bezet is met gewoonlijk twee rijen doornnoppen terwijl de bovenste helft onversierd blijft. Na 1550 treedt in de wand van de berkemeier een duidelijke knik op. Dit resulteert in een cilindervormig onderste gedeelte, de schacht, en een vrijwel even hoog konisch kelkgedeelte. Kort vóór 1600 gaat het kelkgedeelte van deze berkemeier een lichte welving vertonen. Hiermee wordt de typische convexe roemerkelk geïntroduceerd.

Met de komst van de roemer verandert in de loop der tijd ook de noppenversiering: de hete glasdruppel wordt niet meer tot een doorn uitgetrokken, maar gestempeld tot een zogenaamde braamnop, een platgedrukt glazen bolletje met het uiterlijk van een braam. De eerste braamnoppen komen al in de zestiende eeuw bij de vroege roemers voor, zij het aanvankelijk slechts incidenteel. In de loop van de zeventiende eeuw verdringen zij bij de roemer geleidelijk de doornnoppen totdat rond 1650 vrijwel alle roemers braamnoppen bezitten. De berkemeier echter houdt – op een enkele uitzondering na – zijn doornnoppen, zij het dat deze in de loop der tijd minder scherp gevormd worden. Tegen het midden van de zeventiende eeuw wordt gedurende korte tijd een bolle gladde nop als decoratie van de schacht van zowel berkemeier als roemer gebruikt.

Vanaf het moment van ontstaan in de veertiende eeuw tot in de zestiende eeuw staat de noppenbeker op een gekartelde voetband, hoewel ook een gladde voetband zo nu en dan voorkomt. Tegen 1600 wordt naast de gekartelde voetband de draadvoet steeds vaker gebruikt: een dunne glasdraad die in enkele windingen onder de bekerschacht wordt aangebracht. In de zeventiende eeuw blijft deze voet bij de berkemeier vrij laag, maar bij de roemer wordt deze tot een hoge voet ontwikkeld. Berkemeier en roemer komen dus beide in de eerste helft van de zeventiende eeuw voor met een gekartelde voetband of een draadvoet. De populariteit van de roemer stijgt in deze tijd ten koste van die van de berkemeier. Tot kort na 1650 komen berkemeiers nog wel voor, daarna lijken ze te zijn verdwenen.

Van de vroege vormen van een noppenbeker bezit Museum Boijmans Van Beuningen naast archeologische vondsten uit de eerste helft van de veertiende eeuw die uit Duitsland afkomstig zijn een prachtige gave beker met doornnoppen die uit het begin van de vijftiende eeuw dateert.138 Over de herkomst van dit glas, via de handel verworven, is weinig bekend. Het is welhaast zeker dat deze beker als reliekhouder is gebruikt, en eeuwenlang veilig was opgeborgen in een altaar. Uiteindelijk verloor dit glas zijn religieuze functie en kwam het in de handel terecht. Dergelijke bekerglazen waren bijzonder geschikt voor het bewaren van relieken omdat ze daarin goed getoond konden worden, en juist de aanblik van het heilige, het ‘Heiltum’ zoals het in de contemporaine literatuur wordt genoemd, heil en genezing bracht. Ook vijftiende- en zestiende-eeuwse koolstronken hebben als reliekhouder gediend. In het ‘oude’ bezit van het museum zijn verschillende voorbeelden aan te wijzen . Voor de lage koolstronk waaruit de berkemeier en de roemer zullen ontstaan zijn we aangewezen op archeologisch materiaal aanwezig in de Collectie Van Beuningen-de Vriese die is ondergebracht in het museum. Dankzij ALMA is het niet moeilijk schilderijen en prenten uit het bezit van het museum aan te wijzen waarop de verschillende typen berkemeiers zijn afgebeeld.

berkemeierCentraal in dit onderzoek staan twee berkemeiers van een geheel andere orde, namelijk de exemplaren die voorkomen op het schilderij dat lang geleden ten onrechte werd aangemerkt als een belangrijk werk van Johannes Vermeer, 'De Emmaüsgangers'. Het is moeilijk te begrijpen dat tijdens de hooglopende ruzies over de authenticiteit van dit schilderij de vorm van de afgebeelde gebruiksvoorwerpen, met name één drinkglas, niet als argument tegen de echtheid van het stuk is aangevoerd. Op Van Meegeren’s vervalsing wordt het brood dat in het evangelieverhaal zo’n belangrijke rol speelt geflankeerd door twee glazen. Het ene wordt ten dele afgedekt door een schotel, het andere, bij Christus’ rechterhand, is geheel in beeld gebracht. Het schilderij werd indertijd door de experts als een vroege Vermeer gezien en gedateerd rond 1660. Op verschillende schilderijen van Vermeer uit die periode komen glazen voor. Zo hebben twee figuren op 'De koppelaarster' uit 1656 (Gemäldegalerie Dresden) drinkglazen in de hand: de vrouw een roemer, een van de mannen een bierglas. Ook op andere schilderijen van Vermeer uit deze periode staan glazen afgebeeld, zoals op 'Het glas wijn' uit 1660/61 (Gemäldegalerie Berlin-Dahlem) waar het glas zelfs de titel bepaalde, en het 1662 gedateerde 'Dame en twee heren' (Herzog Anton Ulrich-Museum, Braunschweig) En al is op geen van deze schilderijen van Vermeer een berkemeier te vinden, de op Vermeer’s schilderijen uitgebeelde glazen zijn alle authentieke zeventiende-eeuwse modellen.

Het glas op 'De Emmaüsgangers' ontbeert een voetband of draadvoet. Roemers en berkemeiers hebben echter nooit direct op de schachtbodem gestaan, maar zijn in de zeventiende eeuw voorzien van een gekartelde voetband of van een draadvoet. Rond 1660, dus in de periode waarin 'De Emmaüsgangers' destijds geplaatst werd, wordt bij beide typen glazen al ruim twintig jaar uitsluitend de draadvoet toegepast. Ook als we aannemen dat de attributen die een kunstenaar gebruikt uit een voorgaande periode kunnen stammen, is het ontbreken van een voetband of draadvoet niet te verklaren. Behalve de afwezigheid van een aangezette voet is er nog een aspect dat de Emmaüs-berkemeier verdacht maakt. De schacht ervan is gedecoreerd met twee rijen braamnoppen. Dat zou in de geschiedenis van de berkemeier praktisch een unicum zijn: zij zijn vrijwel nooit met braamnoppen versierd. Met uitzondering van een korte periode rond 1650 toen een bolle gladde nop werd gebruikt, werd de schacht van de berkemeier van doornnoppen voorzien.

Het glas op 'De Emmaüsgangers' is geen zeventiende-eeuws glas. Afgezien van het ontbreken van een draadvoet of voetband, en de anachronistische braamnoppen maakt het een te zware indruk. Zeventiende-eeuwse berkemeiers en roemers zijn sierlijk en verfijnd, hetgeen nog versterkt wordt door het fijne glasdraadje dat op de scheiding van kelk en schacht werd aangebracht. Bij de Emmaüs-berkemeier is dat een brede glazen band geworden, die de zware indruk die het glas maakt onderstreept. Zo’n zware bodem past beter bij negentiende-eeuwse glazen uit de periode van de neo-stijlen. Het glas op Van Meegeren’s vervalsing vertoont eerder een overeenkomst met de berkemeiers die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw werden geblazen.

Uit een prijscourant van februari 1886 van de Rheinische Glashütten-AG in Ehrenfeld (bij Keulen) blijkt dat in de negentiende eeuw imitaties van middeleeuws en zeventiende-eeuws glaswerk volop in trek was. Zo toont de verkoopcatalogus als ‘Nachbildung eines altdeutschen Glases’ een imitatie van een vijftiende-eeuwse koolstronk. Ook enige imitaties van berkemeiers en roemers worden aangeboden, in de kleur antik-grün. De hier getoonde imitatie berkemeiers zijn voorzien van een gladde voetband en gedecoreerd met twee rijen gedoornde noppen.Voor de huidige kenner is het verschil in vormgeving, dikte, kleur en uitvoering onmiddellijk duidelijk, maar deze imitaties werden nogal eens als zeventiende-eeuws glaswerk verkocht. Vermoedelijk gebruikte Han van Meegeren, zonder dat hij het zelf wist, negentiende-eeuwse imitaties van zeventiende-eeuwse berkemeiers als requisieten voor zijn vervalsing.

Op grond van het bovenstaande mag worden gesteld dat de discussie over de authenticiteit van 'De Emmaüsgangers' indertijd een heel ander verloop had kunnen nemen als er met kennis van zaken was gekeken naar het op het schilderij afgebeelde glas. In dat geval zou men veel sneller dan nu gebeurd is tot de slotsom gekomen zijn dat het schilderij niet uit de zeventiende eeuw kon stammen. Het belang van diepgaand onderzoek naar gebruiksvoorwerpen uit vroeger tijden en de wijze waarop die op contemporaine schilderijen staan afgebeeld is hiermede aangetoond. ALMA kan bij zulk onderzoek een zeer bruikbaar instrument vormen.

Noten

135 Theurerkauff-Liederwald, ‘Der Römer: Studien zu einer Glasform’, in: Journal of Glass Studies X, 1968, pp. 135.

136 R. Schmidt, Das Glas, Berlijn, 1912, p. 147; J.G.N. Renaud, ‘Middeleeuwsch glas in Nederland’, in: Oudheidkundig jaarboek 1943, serie IV, deel 12, pp. 110, noot 9.

137 H.J. Domsta, ‘Der Römer: Name und Form eines Trinkglases auf Abbildungen des späten 16. Jahrhunderts’, in: Journal of glass studies XXVIII, 1986, pp. 118-120, pp. 119.

138 A.P.E. Ruempol en A.G.A. van Dongen, Pre-industriële gebruiksvoorwerpen 1150-1800, Museum Boijmans Van Beuningen/De Bataafsche Leeuw, 1991, pp. 46, inv.no. F 10059 en F 10060.

Toon alle noten Verberg noten