Onderzoek

Steengoed op 'De luitspeler' van David Teniers II

Door Megan Lynn Donnelly, 10 februari 2011.


Genreschilderkunst, schilderijen met voorstellingen van mensen in hun alledaagse omgeving, genoten een grote populariteit in de zestiende en zeventiende eeuw. Vele schilders componeerden interieurs gevuld met mensen die bezig zijn met hun dagelijkse bezigheden. Sommige van hen, zoals de Vlaamse schilder David Teniers II (Antwerpen 1610 - Brussel 1690), besteedden veel aandacht aan het realistisch weergeven van huishoudelijke goederen, zowel gewone gebruiksvoorwerpen alsook luxe objecten. De mate waarin Teniers zijn steengoed voorwerpen weergaf is zo accuraat dat de meeste van de afgebeelde kruiken en potten die in zijn schilderijen figureren heel goed te matchen zijn met bestaande voorwerpen, zelfs die met specifieke decoratiemotieven. Terwijl deze ‘matches’ ons duidelijke informatie verschaffen over de materiële cultuur en daarmee de leef- en werkomgeving van deze schilders, kan in enkele gevallen het onderzoek naar een schilderij en het verbeelden van een echt object meer vragen oproepen dan antwoorden verschaffen. Een schilderij van David Teniers II in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen, 'De luitspeler', toont twee opvallende steengoed kruiken. Beiden zijn interessant, de een vanwege de duidelijke informatie die het verschaft en de ander vanwege de raadsels die het oproept omtrent de herkomst van het object.

Steengoed gebruiksgoed speelde een belangrijke rol in de materiële cultuur van de vroeg-moderne Nederlanden en werd in grote hoeveelheden vanuit Duitsland geïmporteerd. Duitse pottenbakkers ontwikkelden steengoed, een type keramiek dat ontstaat door een specifieke kleisoort op hoge temperatuur te bakken, al vanaf de 13de eeuw.125 Door de hoge baktemperatuur sinterde de klei en werd daardoor waterdicht. Door deze eigenschap werd steengoed functioneel superieur boven het lokaal geproduceerde aardewerk voor de opslag, het schenken en drinken van vloeistoffen.126 In de loop der tijd werden decoratieve innovaties door pottenbakkers geintroduceerd, vrijwel uniek voor elk productie, die resulteerde in een grote variëteit aan motieven. Alhoewel pottenbakkers vormen en decoratiemotieven ontleenden aan andere regio’s en daar een eigen gezicht aan gaven, is het grotendeels mogelijk om de herkomst van steengoed voorwerpen die gevonden zijn in Nederland en België te identificeren als zijnde afkomstig uit een bepaald productiecentrum in Duitsland.

'De luitspeler', een schilderij dat typisch is voor de Antwerpse periode van Teniers II, geeft twee verschillende typen steengoed kruiken weer, die hij allebei met grote aandacht voor het detail schilderde. Om te beginnen is er een grote, ronde, crèmekleurige kruik op de voorgrond te zien. De decoraties op deze kruik bestaan uit blauwe medaillons en blauwe arceringen rond de schouder van het object, daar waar het oor vastzit aan het kruiklichaam. Omdat Teniers zoveel visuele informatie verschaft, kan deze kruik zonder problemen geïdentificeerd worden als een product afkomstig uit Westerwald, waarvan een vergelijkbaar exemplaar aanwezig is in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen.

Westerwald kruiken, met hun opvallend glanzende en grijskleurige voorkomen met kobaltblauwe decoraties waren een nieuw product in de zeventiende eeuw. De productie ervan in de regio begon pas in deze periode nadat pottenbakkers uit andere steengoedcentra zoals Raeren, zich verplaatsten naar Westerwald vanwege verschillende economische en politieke factoren.127 Kruiken zoals te zien op 'De luitspeler' kwamen pas rond 1620 op de markt, maar werden al gauw populair zodat ze ook binnen afzienbare tijd op schilderijen uit die tijd in beeld kwamen.

Steengoed was populair vanwege praktische en functionele kwaliteiten, maar dit keramisch product vertegenwoordigde ook bescheiden luxueuze connotaties vergeleken met het goedkopere lokaal vervaardigd aardewerk, mede door hogere productiekosten en de in toenemende mate opzichtige decoraties.128 De Westerwald kruik met zijn opvallende en unieke kleuren verkreeg een luxestatus en behoorde al snel tot het meest populaire steengoed assortiment in de Nederlanden. Deze populariteit is bovendien vastgelegd in de beeldende kunst van de zeventiende eeuw. De opvallende vormgeving en decoratiemotieven zijn zo herkenbaar dat deze kruiken niet alleen gemakkelijk terug te vinden zijn op schilderijen maar ook herkenbaar zijn op zwart-witte prenten. Schilders uit zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden gebruikten deze kruiken regelmatig als decoratief element in hun voorstellingen. Alleen al in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen zijn er tenminste tien voorbeelden van dit type kruik afgebeeld op schilderijen en prenten. Vaak is de Westerwald kruik het meest decoratieve object in geschilderde scènes met boeren en burgers, zoals het 'Vrolijk gezelschap' van Richard Brakenburgh of de anonieme kopie naar Adriaen van Ostade 'Interieur met man met pijp'. In 'De luitspeler', net als in de meeste andere schilderijen van David Teniers II, is echter de Westerwald kruik niet het meest prominente steengoed. Hier is een ander type steengoed favoriet. Een kleine roestkleurige kruik verschijnt regelmatig in het werk van de schilder en is op dit schilderij geplaatst op een tafel. Het trekt daar veel meer aandacht dat de andere voorwerpen door z’n fel oranje kleur tegen de voornamelijk aardkleurige achtergrond van de voorstelling. Op het eerste gezicht is de kruik niet zo indrukwekkend als het Westerwald exemplaar. Het is klein, ovaalvormig en ongedecoreerd behalve de geknepen voet en de grijze hals van de kruik die contrasteert met de oranje buik. Er bevindt zich een verwant exemplaar afkomstig uit de bodem van Alkmaar in de collectie van de Stichting Het Nederlandse Gebruiksvoorwerp, dat in bruikleen is bij Museum Boijmans Van Beuningen. Alhoewel de kruik in eerste instantie onopvallender is dan de Westerwald exemplaren, roept het object enkele interessante onderzoeksvragen op.

Teniers is niet de enige kunstenaar die dit specifieke type steengoed kruik in zijn composities gebruikt. Ook een aantal Antwerpse stilllevenschilders zoals Joannes Fijt (1611-1661), Alexander Adriaenssen (1587-1661) en Jacob Foppens van Es (1596-1666) gebruikten dit type kruik om een felle kleur aan hun vrij monochromatische composities toe te voegen. Er is gesuggereerd dat het gebruik door Teniers van deze kruik het bewijs is van de invloed van de stillevenschilders en dat zou zijn genre met hun school verbinden.129 Het is echter onmogelijk om er achter te komen of Teniers inderdaad probeerde om hiermee te verwijzen naar en motieven te ontlenen aan het werk van deze stillevenschilders, terwijl het ook mogelijk is dat hij simpelweg een type kruik verbeeldt dat in Antwerpen algemeen in gebruik was aan het eind van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw. Sommige schilders in Amsterdam, zoals bijvoorbeeld Abraham van Beijeren (1620-1690) verbeeldden dit type kruik ook af en toe in hun voorstellingen. Het was echter bij Amsterdamse schilders niet zo populair als bij de Antwerpenaren en zeker niet zo populair in het algemeen als het Westerwald steengoed. Maar het voorkomen van de oranjekleurige kruik in de Amsterdamse schilderijen toont wel aan dat het gebruik ervan door stillevenschilders niet is beperkt tot Antwerpen.

Uit zowel de geschilderde als de overgeleverde kruiken van dit type wordt duidelijk dat er tenminste twee varianten in roulatie waren. Het eerste type met geknepen voet is uitgebeeld op 'De luitspeler'. Het tweede type met gedraaide voet is te vinden op Teniers’ schilderij 'Dorpsfeest' uit 1651, waarvan ook een voorbeeld te vinden is in de collectie van de Stichting Het Nederlandse Gebruiksvoorwerp. Anders dan Westerwald steengoed kruiken, die opvallend zijn en gemakkelijk te identificeren, is er weinig bekend over de exacte herkomst van deze oranje kruikjes.

Terwijl deze categorie kruiken kennelijk producten vertegenwoordigen die vervaardigd zijn in één productiecentrum, correspondeert hun fysieke verschijningsvorm niet voldoende met een van de bekende steengoedcentra waardoor de identificatie mogelijk zou zijn. In plaats daarvan wijzen diverse aspecten van de vormgeving ervan op uiteenlopende productiecentra. Zo is de lichte kleur van de klei en de roestige kleur van het glazuur verwant aan steengoed voorwerpen die zijn geproduceerd in Siegburg. Echter, de vormgeving van de kruiken zou ongewoon zijn voor het Siegburg-assortiment. Ook de glazuurmethoden die bekend zijn van Siegburg vertonen de juist kenmerkende onregelmatige glazuurplekken, die niet te vergelijken zijn met het volledig oranje geglazuurde kruiklichaam (behalve de hals) van de kruik op de schilderijen van Teniers II. Tegelijkertijd doen veel van de kruikmodellen die geproduceerd zijn in het steengoedcentrum Raeren wat hun vormgeving betreft veel meer denken aan de oranje exemplaren. In dit geval is de onregelmatigheid juist de kleur en het glazuur. Steengoed uit Raeren is gewoonlijk geglazuurd met een donkerbruine of paarsbruine engobe.130 Er zijn geen voorwerpen uit Raeren bekend met een rood-oranje kleur. Bovendien zijn Siegburg en Raeren grootschalige producenten van steengoed waarover veel bekend is wat betreft het vervaardigde asssortiment, de distributie en de geschiedenis ervan. Het is niet aannemelijk dat de oranje kruiken uit een van deze centra afkomstig is.

Raeren en Siegburg zijn slechts twee voorbeelden van steengoedproducerende centra waar voorwerpen vervaardigd zijn die wel iets lijken op de oranje kruik die afgebeeld staat op 'De luitspeler', maar dezelfde argumenten gelden voor andere steengoedbakkerijen. Het is niet ongewoon voor steengoedbakkers om vorm- en kleurelementen van andere region’s over te nemen,131 en dit is dan ook de reden waarom het niet eenvoudig is om aan te geven of een type steengoed toegeschreven zou moeten worden aan een centrum, gebaseerd op slechts een of twee fysieke elementen, die verwant zijn aan die objecten die afkomstig zijn uit het traditionele reguliere assortiment van dat centrum. Er is niet één enkel productiecentrum aan te wijzen waaraan met enige zekerheid deze groep kruiken toe te schrijven is. De beste manier om de herkomst van een keramisch object te achterhalen is door deze te vergelijken met ovenafval. Dit afval is meestal afkomstig uit afvalputten waar pottenbakkers hun misbaksels deponeerden. Als een misbaksel wordt gevonden, dat een voorbeeld is van een specifiek type, kan met zekerheid worden gesteld dat het object in dat centrum is geproduceerd.132 Helaas is er nog geen bewijs gevonden van ovenafval dat overeenkomt met de kruiken van Teniers.

Het oranje kruikje dat regelmatig figureert in de schilderijen van Teniers valt voorlopig nog niet thuis te brengen. Het is niet te koppelen aan een van de meer bekende productiecentra, alhoewel enkele Nederlandse en Duitse keramiekexperts suggereren dat de herkomst ervan mogelijk te zoeken in de richting van Brühl133 of Waldenburg (Saksen) en dan met name Westsachsen/Ostthüringen.134 Met het voortgaande onderzoek en toekomstige archeologische opgravingen van productiecentra van steengoed zal mogelijk in de toekomst het bewijs opduiken waarmee de herkomst van deze kruiken wordt onthuld. Waar Westerwald kruiken en hun regelmatige voorkomen op schilderijen het mogelijk maakt om informatie te verschaffen over de materiële cultuur van de betreffende periode, herinnert de oranje kruik ons eraan dat we nog niet alle objecten kunnen achterhalen maar hopelijk lukt dat in de toekomst wel. De hoge mate van realisme waarmee David Teniers II zijn objecten in zijn schilderijen weergeeft is een prachtige vertoning van zijn artistieke talent, echter de gedetailleerde uitbeelding van de voorwerpen en hun gebruik zoals te vinden in het werk van Teniers geeft ons tevens de mogelijkheid om nog beter te kijken naar de materiële omgeving in die tijd. De twee kruiken in 'De luitspeler' tonen aan dat hoe vergelijkbaar objecten ook mogen lijken in materie en gebruiksfunctie, elk object op zichzelf unieke perspectieven te bieden heeft op de schilderkunst en de zeventiende-eeuwse materiële cultuur.

Literatuur

Bartels, Michiel, Steden in Scherven 1: Vondsten uit de beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen, en Tiel (1250-1900). Zwolle: Stichting Promotie Archeologie, 1999.

Gaimster, David, German Stoneware 1200-1900: Archaeology and Cultural History. London: British Museum Press, 1997.

Janssen, Hans L., “Later medieval pottery production in the Netherlands”, in: Ceramics and Trade: The production and distribution of later medieval pottery in north-west Europe. Ed. Peter Davey and Richard Hodges, 121-185. Sheffield: University of Sheffield, 1993.

David R.M. Gaimster, Mark Redknap, & Hans-Helmut Wegner “The dating and typology of the earliest Siegburg Stoneware in the Netherlands”, in:  Zur Keramik des Mittelalters und der beginnenden Neuzeit im Rheinland: Medieval and later pottery from the Rhineland and its markets. Ed.. Bar International Series, 1988.

Klinge, Margret et al. exhib. cat. David Tenier der Jünere 1620-1690: Alltag und Vernügen in Flandern. Karlsruhe (Staatliche Kunsthalle Karlsruhe) & Baden-Württemberg (Sonderausstellung des Landes Baden-Württemberg) 2005/6.

Scheidemantel, Dirk, “Waldenburger Steinzeug: Interdisziplinäre Forschungen zur Typologie, Chronologie und Technologie des spätmittelalterlichen und früneuzeitlichen Steinzeugs in Mitteleuropa am beispiel der keramischen Production van Waldenburg in Sachsen.” Archäologisches Nachrichtenblatt, vol. 10, no. 3  (2005): 306-310.

Solon, Louis Marc Emanuel, The ancient art of stoneware of the Low Countries or “Grès de Flanders” and “Steinzeug”. Its principal varieties and places where it was manufactured during the XVIth and XVIIth centuries, Volumes 1-2, London: The Chiswick Press, 1892.

Noten

125 Michiel Bartels, Steden in Scherven1: Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900) (Zwolle: Stichting Promotie Archeologie, 1999), 43.

126 Hans L. Janssen, “Later medieval pottery production in the Netherlands” in Ceramics and Trade: The production and distribution of later medieval pottery in north-west Europe, ed. Peter Davey and Richard Hodges (Sheffield: University of Sheffield, 1983), 135.

127 David Gaimster, German Stoneware 1200-1900: Archaeology and Cultural History (London: British Museum Press,  1997), 251.

128 Louis Marc Emanuel Solon, The ancient art of stoneware of the Low Countries and Germany: or “Grès de Flandres” & “Steinzeug”. Its principal varieties and places where it was manufactured during the XVIth and XVIIthe centuries, Volumes 1-2 (London: The Chiswick Press, 1892), 27.

129 Margret Klinge et al. exhib. cat. David Teniers der Jüngere 1610-1690: Alltag und Vergnügen in Flandern, Karlsruhe (Staatliche Kunsthalle Karlsruhe), & Baden-Württemberg ( Sonderausstellung des Landes Baden-Württemberg) 2005/6, p. 67.

130 Gaimster, 40.

131 Hans L. Janssen, “ The dating and typology of the earliest Siegburg Stoneware in the Netherlands” in Zur Keramik des Mittelalters und der beginnenden Neuzeit im Rheinland: Medieval and later pottery from the Rhineland and its markets, ed. David R.M. Gaimster, Mark Redknap, & Hans-Helmut Wegner, (Bar International Series, 1988), 329.

132 Dirk Scheidemantel, “ Waldenburger Steinzeug: Interdisziplinäre Forschungen zur Typologie, Chronologie und Technologie des spätmittelalterlichen und früneuzeitlichen Steinzeugs in Mitteleuropa am beispiel der keramischen Production van Waldenburg in Sachsen,” Archäologisches Nachrichtenblatt vol 10 no. 3 (2005): 307.

133 Dr. Michiel H. Bartels heeft gesuggereerd dat de mogelijke herkomst Brühl zou kunnen zijn.  Deze conclusie is gebaseerd op de vormgeving van de kruiken, de gele en witte kleur van de klei die geassocieerd wordt met dit productiecentrum, en het feit dat de kruiken in Brühl een veel sterkere rood-oranje blush hebben die op het hele kruiklichaam is aangebracht. Bartels stelde ook Waldenburg een mogelijke producent zou kunnen zijn geweest van deze kruiken. Persoonlijke communicatie met Dr. Michiel H. Bartels, Gemeentelijk Archeoloog, Archeologie Hoorn.

134 Dr. Dirk Scheidelmantel heeft opgemerkt dat gebaseerd op de kleur van de klei en het glazuur, deze kruiken mogelijk in Waldenburg zijn vervaardigd. Hij stelt echter dat slechts de productie van de vroege veertiende tot en met de zestiende eeuw in Waldenburg tot nu toe goed is onderzocht. Persoonlijke (email)communicatie met Dr. Dirk Scheidemantel, Landesamt für Archäologie Sachsen.

Toon alle noten Verberg noten