Onderzoek

De puntschotel

Door Jacoline Zilverschoon, 10 februari 2011.


In de zeventiende eeuw werd Nederland gekenmerkt door een bloeiende welvaart die dusdanig groot was, dat deze nu bekend staat als de Gouden Eeuw. In het eerste kwart van de eeuw werden zowel de Oost-Indische als de West-Indische Compagnie opgericht en Nederlandse schepen begonnen met de grootschalige import van exotische kruiden, planten en vruchten. Door de toename van producten, nam ook de consumptie toe en het dagelijks eetpatroon groeide van twee maaltijden per dag naar vier. De introductie van nieuwe dranken, zoals thee en koffie, zorgde eveneens voor veranderingen in de maaltijd en sociale gebruiken. De eettafel vormde het centrale punt van sociale activiteiten van de opkomende, welvarende middelklasse en deze werd dan ook rijkelijk gedekt met tafelgerei van zilver, glas en porselein.169

In het begin van de zeventiende eeuw ontstaat, wellicht vanuit de behoefte om te pronken met luxe tafelgerei en exotische gerechten, de zogenaamde puntschotel. Dit type schotel dankt zijn naam aan de achtpuntige rand. De tien tot nu toe bekende Noord-Nederlandse zilveren exemplaren dateren alle uit de jaren rond 1630 en zijn rijkelijk versierd met gravures.170

puntschotelIn de collectie van het Museum Boijmans van Beuningen bevinden zich twee zilveren puntschotels. De eerste schotel is vervaardigd in 1633 door Pieter Arents, een zilversmid uit Amsterdam. Op de vlakke rand zijn acht voorstellingen gegraveerd die omsloten worden door cartouches met het zogenaamde kwabornament. De composities tonen steeds landelijke taferelen met daarin meestal een aantal rijk geklede dames en heren. De voorstellingen kunnen bovendien in verband worden gebracht met de vier jaargetijden, die allemaal twee keer zijn afgebeeld. Een deel van de composities in de cartouches is ontleend aan prenten. Zo komen de rustende herders bij een vervallen boerderij bijvoorbeeld in spiegelbeeld voor op een prent van Jan van de Velde. 'De rustende boeren bij de graanoogst' zijn overgenomen van een prent van Cornelis Bloemaert.

Op het gladde middenveld van de puntschotel van Arents is een wapenschild gegraveerd. Dit graveerwerk is eveneens geïnspireerd op prenten, in dit geval van Michel le Blon. Zijn prenten zijn uitgegeven in het werk 'Verscheyden Wapen-Schilden Verciert met Helm en Lof; Seer dienstich voor Schilders, Plaetsnijders, Silversmeden Beelt ende Steenhouwers...'.171 Het wapenschild is bijna geheel blank gepoetst, maar van de verdwenen wapenfiguur is genoeg overgebleven om er een dubbele adelaar in te herkennen. Bij de identificatie van het wapen is door Citroen aangenomen dat deze schotel door een Amsterdammer is besteld, omdat de schotel tevens in deze stad is vervaardigd. Hij komt hierdoor tot de Amsterdamse regentenfamilie Hasselaer. Als besteller komt dan Pieter Pietersz. Hasselaer (1583-1651) in aanmerking. Hij was een van de bekendste kooplieden van Amsterdam en werd daarnaast acht maal burgemeester van de stad.172

small_MBZ197KNVDe tweede rijk gegraveerde, achtpuntige schotel uit de collectie van Museum Boijmans van Beuningen is vervaardigd in 1629 door Willem Tobias, eveneens een zilversmid uit Amsterdam. De schotel toont op het middenvlak een staande man die met zijn linkerhand een lans vasthoudt en op zijn rechterhand zit een vogel. Rondom deze figuur is een symmetrisch opgebouwde decoratie van bladranken aangebracht, waartussen zich vogels, honden en hazen bevinden. Op de rand is een doorlopende voorstelling aangebracht van een Hollands landschap met daarin diverse huizen en andere gebouwen. Aan deze composities liggen wederom gravures ten grondslag.173

Bij de overige zeventiende-eeuwse puntschotels die overgeleverd zijn, komt in vier gevallen eveneens het thema jaargetijden voor op de rand. Bovendien tonen vijf andere schotels een wapen. Dit doet vermoeden dat de schotels misschien als peetgeschenk gediend hebben; het wapen is in zo’n geval van de schenker. Zilveren schotels moeten rond 1630 zeer in trek zijn geweest als ‘pillegift’. Bij geen van de schotels is de aanleiding tot vervaardigen echter geheel duidelijk.174

Vanwege de overdaad aan ornament op dergelijke puntschotels wordt vaak aangenomen dat deze enkel een decoratieve functie hebben gehad als pronkstukken op het buffet of de schouw. Op een gravure van Claes Jansz Visscher uit 1609 is een plooischotel met het wapen van Amsterdam die op de schoorsteenmantel is bevestigd. Een Utrechtse puntschotel, nu in de collectie van Museum Catharijneconvent, heeft mogelijk op een dergelijke manier in het interieur gehangen. In het midden van de schotel is namelijk een restant van wat mogelijk een spijkergat is waar te nemen.175

pronkstillevenDoor een relatie te leggen met afbeeldingen van puntschotels in de schilder- en prentkunst krijgen we wellicht een beter beeld van het werkelijke gebruik van dit voorwerp. Zo treffen we de puntschotel onder meer op stillevens aan, zoals bij dit stilleven van Abraham van Beijeren. Van Beijeren schilderde rijke pronkstillevens met, ook voor de zeventiende eeuw, zeer zeldzame en kostbare voorwerpen, zoals Venetiaanse glazen, Chinees porseleinen schalen en kommen, nautilusbekers, enz.176 Op het stilleven van Van Beijeren in de collectie van Museum Boijmans van Beuningen bevindt zich een puntschotel in de voorgrond. Hoewel dit bevestigt dat de puntschotel niet tot het alledaagse behoorde, vertellen dergelijke stillevens weinig over het concrete gebruik van de schotel. Op een schilderij van Jacob Ochtervelt zien we echter hoe de schotel wordt gebruikt als serveerblad. In het schilderij is een man afgebeeld die een puntschotel met oesters draagt en een geopende zeevrucht aanbiedt aan de dame die voor hem zit. Net als tegenwoordig stonden oesters in de zeventiende eeuw al bekend als voedsel met een lustopwekkende werking, zoals in contemporaine bronnen uit de zeventiende eeuw te lezen is. Wanneer de zeevruchten zijn afgebeeld op zeventiende-eeuwse Nederlandse genretaferelen kunnen zij duiden op genotzucht en de aandacht vestigen op het libido van de afgebeelde personen. Ook Ochtervelt speelt in zijn schilderij met deze betekenis van de oester, die in dit geval van een luxe puntschotel geserveerd wordt.

De overgeleverde puntschotels zijn vooral in zilver bewaard gebleven, in de collectie van het Museum Boijmans van Beuningen bevinden zich echter twee tinnen exemplaar. De schotels hebben dezelfde naar binnen buigende zijden als de zilveren exemplaren. De twee tinnen exemplaren zijn eveneens voorzien van een gegraveerde versiering. Op de rand van de eerste tinnen schotel zijn vier medaillons met de personificaties van de Hoop, de Gerechtigheid, de Liefdadigheid en de Matigheid gegraveerd. In het midden van de schotel is een huismerk gegraveerd. De andere tinnen schotel toont zowel op de rand als op het midden vlak een kwalitatief eenvoudiger gravure, bestaande uit florale motieven. Deze tinnen schotels kunnen gezien worden als goedkopere varianten van de zilveren exemplaren, maar geenszins als alledaags gebruiksvoorwerp. Mooi opgepoetst konden deze tinnen exemplaren net zo goed als pronkstuk fungeren.

Gezien hun rijke versiering waren puntschotels waarschijnlijk bedoeld als luxueuze gebruiks- en siervoorwerpen in het huishouden.  Ze moeten zijn besteld door vooraanstaande en welvarende families. De pronkfunctie lijkt bevestigd te worden door de sporen van een spijkergat aan de achterzijde van de Utrechtse puntschotel. Dit sluit echter niet uit dat de puntschotel ook een gebruiksfunctie had, zoals te zien is in het schilderij van Ochterveld waar het als presenteerschotel dienst deed. Het beperkte aantal overgebleven puntschotels duidt erop dat dit type schotel zeker geen alledaags gebruiksvoorwerp was. De hoeveelheid puntschotels die in de zeventiende eeuw geproduceerd moet zijn is echter moeilijk in te schatten omdat veel van het luxe huisraad in zilver en tin modegevoelig was en zodoende uiteindelijk zijn weg terug vond naar de zilversmeden en tinnegieters om omgesmolten te worden voor meer eigentijdse objecten.

Noten

169 P.G. Rose, ‘Dutch foodways: An American connection’, ín: D.R. Barnes, P.G. Rose (red.),Matters of Taste. Food and Drink in Seventeenth-Century Dutch Art and Life, Albany 2002, 20.

170 P.P.W.M. Dirkse, ‘‘Godt gheeft die wasdom’. Rondom een Utrechtse puntschotel uit 1624’, in: Nederland Kunsthistorisch Jaarboek (1981) 31, 131; K.A. Citroen, ‘Een zilveren Puntschotel uit 1633’, in: Bulletin Museum Boijmans van Beuningen (1963), 90.

171 J. ter Molen, Zilver; catalogus van de voorwerpen van de voorwerpen van edelmetalen in de collectie van Museum Boijmans- van Beuningen, Rotterdam 1994, 90.

172 K.A. Citroen, ‘Een zilveren Puntschotel uit 1633’, in: Bulletin Museum Boijmans van Beuningen (1963), 89.

173 J. ter Molen, Zilver; catalogus van de voorwerpen van de voorwerpen van edelmetalen in de collectie van Museum Boijmans- van Beuningen, Rotterdam 1994, 80.

174 P.P.W.M. Dirkse, ‘‘Godt gheeft die wasdom’ Rondom een Utrechtse puntschotel uit 1624’, in:Nederland Kunsthistorisch Jaarboek (1981) 31, 131.

175 P.P.W.M. Dirkse, ‘‘Godt gheeft die wasdom’ Rondom een Utrechtse puntschotel uit 1624’, in:Nederland Kunsthistorisch Jaarboek (1981) 31, 131.

176 B.R.M. de Neeve, ‘Een vroeg 17e eeuwse zilveren puntschotel’, in: Bulletin Museum Boijmans van Beuningen (1959) X, 31.

Toon alle noten Verberg noten