Onderzoek

De marskramer van Jeroen Bosch: over pollepels en klotendolken

Door dr. Diana Mertens en Emiel Mertens, 10 februari 2011.


Het wereldberoemde schilderij van Jeroen Bosch 'De marskramer' kenmerkt zich door een zeer gedetailleerde en realistische weergave van de uitgebeelde gebruiksvoorwerpen: kleding, huisraad alsook de verdere materiële entourage suggereren een alledaagse werkelijkheid  waarin de eigentijdse beschouwer zich kon herkennen. Opvallend is dat de marskramer weliswaar rafelige kleding draagt maar wel rondloopt met een nieuwe hoed, waarin een benen priem is gestoken. Alhoewel hij twee verschillende schoenen draagt - een leren slof en een halfhoog leren laarsje met metalen gesp - is zijn schoeisel van goede kwaliteit en lijkt zo goed als nieuw. Aan de buitenzijde van zijn rieten draagmand, ook wel ‘mars’ genaamd, waarin de marskramer zijn handelswaar vervoert, bungelt een puntgave houten pollepel. Echter het meest bijzondere voorwerp op dit schilderij is de zogenaamde klotendolk, die in een bijbehorend leren foedraal - samen met een leren geldbeurs - aan de gordel van de marskramer wordt gedragen. Enkele eigentijdse voorbeelden van verwante pollepels en klotendolken zijn in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bewaard gebleven.

Pollepel

Detail_Bosch_houten_pollepelHet op het schilderij uitgebeelde type houten pollepel met diepe ronde bak wordt vanaf de middeleeuwen vervaardigd en was in alle keukens in gebruik. Grote roer- en scheplepels zijn zowel door houtsnijders met de hand gesneden of mogelijk een product van huisvlijt. Er zijn echter maar weinig houten pollepels door archeologen in de bodem teruggevonden omdat deze bij breuk of slijtage al snel in het vuur belandden en bovendien in de bodem snel verteerden. In de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen bevindt zich een vroeg zestiende-eeuwse houten pollepel van hetzelfde type, formaat en met de kenmerkende vormgeving. Gesneden uit een zachte houtsoort is deze lepel uit de museumcollectie bedekt met restanten van een witte aanslag, waarvan de samenstelling nochtans onbekend is. Het is echter mogelijk dat het hier verfresten betreft. Houten gebruiksvoorwerpen werden in de late middeleeuwen regelmatig beschilderd, niet alleen ter decoratie maar ook om objecten van een beschermlaagje te voorzien, zoals bijvoorbeeld werd gedaan met houten teljoren. Teljoren zijn eenvoudige ronde of rechthoekige platte eetplankjes die in de late middeleeuwen en de zestiende eeuw van een donkerrode verflaag werden voorzien. Gezien de gave staat waarin de afgebeelde pollepel op het schilderij van Bosch verkeert, lijkt het erop dat de lepel deel uitmaakt van de koopwaar die de marskramer langs de deuren van woonhuizen en herbergen - zoals op de achtergrond van het schilderij is voorgesteld – aan potentiële afnemers ter verkoop aanbood.

Klotendolk

Detail_Bosch_klotendolkDe marskramer draagt aan zijn gordel behalve een leren geldbeurs ook een klotendolk in een foedraal. Deze pikante benaming ontleent de klotendolk aan de twee balvormige uitstulpingen tussen handgreep en kling. Onder deze uitstulpingen is nog een gebogen stootplaat of pareerstang aangebracht. De Engelse benaming van dit type dolk verraadt een vergelijkbare betekenis: ballock dagger, net als de Franse term voor dit voorwerp: dague à couillettes. De handgreep of het heft is meestal rond van doorsnede en vaak mooi afgewerkt met een gegraveerde zilveren of geelkoperen kap. Het lemmet heeft een driehoekige (enkelsnijdende) of een ruitvormige (tweesnijdende) doorsnede en is uitgesmeed tot een versmalde angel waarop het heft geschoven is. Er zijn klotendolken gevonden die versierd zijn met honderden ingeslagen nageltjes (Bergen op Zoom) of exemplaren die zijn ingelegd met git en beslagen met zilveren spijkertjes (Delft). Op schilderijen en prenten is te zien dat deze dolken vaak laag aan de gordel hangen waarmee de ballen in combinatie met het heft verwijzen naar het mannelijk geslacht. In de negentiende eeuw is deze dolk hierom door preutse deskundigen omgedoopt tot de meer beschaafde term nierdolk.

In de veertiende eeuw werd de klotendolk aanvankelijk als wapen gebruikt door de ridderstand, echter in de vijftiende en zestiende eeuw gingen ook burgers en boeren de dolk gebruiken als mes en verdedigingswapen. De dolk werd direct aan de gordel, maar ook soms tussen de leren lussen van een geldbeurs gedragen. In Nederland zijn voor zover bekend in Amsterdam, Bergen op Zoom, Delft, ’s-Hertogenbosch en Rotterdam klotendolken opgegraven die gezien de archeologische vondstomstandigheden dateren uit de veertiende en vijftiende eeuw. Ook waren klotendolken in gebruik in Engeland, Duitsland, Frankrijk en België, gezien de aldaar opgegraven voorbeelden.

Dat de klotendolk een kennelijke status genoot als symbolisch en betekenisvol object voor zijn ongetwijfeld mannelijke eigenaren is niet alleen af te lezen aan de vorm- en naamgeving van het object. Aan de decoratie van deze dolken op zilveren of geelkoperen kappen, van gegraveerde afbeeldingen van heiligen, werd mogelijk een extra ‘beschermende’ amuletwerking toegekend, bovenop de functie die de dolk zelf te vervullen had als verdedigingswapen. Frans Claes, oprichter van het Museum De Gulden Spoor in Antwerpen, bezat een groot aantal klotendolken die gevonden zijn in de rivier de Schelde. Enkele exemplaren daarvan zijn van koperen kappen voorzien, versierd met gegraveerde religieuze voorstellingen zoals Maria met kind, Bathseba in haar bad, de Heilige Elisabeth, ofwel voorzien van een gotisch opschrift als ‘Lof Got vor al’. Bij één van de twee klotendolken in de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen is op de zilveren kap de Heilige Matthias uitgebeeld  detailfoto van gegraveerde kap), op het tweede exemplaar is op de koperen kap Sint Maarten te zien. Ook in het Duitse Lübeck zijn dergelijke klotendolken gevonden met bronzen of koperen kappen. Het is mogelijk dat afbeeldingen van heiligen op messen als bescherming fungeerden, zowel preventief als tijdens het gevecht. Op tafelmessen uit dezelfde periode zijn ook vaak heiligen met hun attributen op het heft uitgebeeld zoals de Heilige Barbara (toren), de Heilige Catharina (karrenwiel), Maria Magdalena (zalfpot). Ook afbeeldingen van de apostelen komen op mesheften voor.

Behalve op het schilderij 'De Marskramer' van Jeroen Bosch in Museum Boijmans Van Beuningen komen eigentijdse afbeeldingen van klotendolken voor op een aantal andere beroemde laatmiddeleeuwse voorstellingen, zoals op de miniaturen van het manuscript 'Les Très Riches Heures' (1416-1487) van de Gebroeders van Limburg voor de Duc de Berry en op het beroemde 'Mérode triptiek' uit circa 1425-1430 van de Zuid-Nederlandse schilder Robert Campin (ca. 1375–1444). Op het 'Mérode triptiek' is een klotendolk aan de gordeltas van de  opdrachtgever Ingelbrecht te zien op het linkerpaneel (coll. Metropolitan Museum New York, inv.no. 56.70 a-c). Een vergelijkbare afbeelding komt voor op het schilderij 'Aanbidding der Koningen' van Pieter Breughel de Oudere.

Literatuur

J. Baart et all, Opgravingen in Amsterdam. Twintig jaar stadskernonderzoek, Amsterdam 1977 (Fibula-Van Dishoeck), pp.431-433.

H.L.Jansen (red.), Van bos tot stad. Opgravingen in ’s-Hertogenbosch, 1983, pp. 261-262.

J. Koldewey, P. Vandenbroeck, B. Vermet, Jheronimus Bosch. Alle schilderijen en tekeningen, 2001, Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam, NAi Uitgevers Rotterdam-Ludion Gent / Amsterdam

Gedenkboek Frans Claes, Museum de Gulden Spoor, Antwerpen 1932, afb. 30,  p. 75, pp.79-81, afb.32 pp. 80.

Olaf Goubitz, Purses in pieces, Zwolle 2007, pp. 34-35.

Nieuwsbrief Archeologie en Monumenten, nr. 35, maart 2007, Stichting In den Scherminckel, Bergen op Zoom.