Onderzoek

De Jacobakan

Door drs. Jeroen ter Brugge, 10 februari 2011.


"Dit’s vrouw Jakobaas kannetje gelooft, die hier maar eens uyt dronk; smeet het dan over ’t  hooft in de vyver dat het sonck."

Zo luidt de gegraveerde randtekst op een zilveren deksel, die vermoedelijk in de zeventiende eeuw op een ‘Jacobakan’ werd gemonteerd. Daarbinnen was een drinkende vrouw (Jacoba?) te zien met een kan aan haar mond. Een intrigerend object, dat we kennen uit de Nederlands Displegtigheden (Rotterdam 1732-1735) het bekende boek over drinkgewoonten en –gerei van Kornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling. En nog steeds is de term 'Jacobakan' een begrip in de archeologie, de antiek- en museumwereld. De naam is verbonden aan een hardnekkige mythe, die wil dat Jacoba van Beieren, gravin van Henegouwen, Holland en Zeeland, op het eind van haar leven de eenzaamheid en haar verdriet op een torenkamer van het slot Teilingen verdronk, het lege fust het raam uitkieperend. Het in de zeventiende eeuw grote aantal bij graafwerkzaamheden aangetroffen kannen vroeg om een verklaring. Al snel kwam men tot de conclusie dat deze kannen met gravin Jacoba te maken moesten hebben, die hier van 1433 tot haar dood in 1436 woonde. Bronnenkritiek stond nog in de kinderschoenen en de fantasie sloeg op hol: Jacoba zou volgens sommige bronnen de kannen ook zelf vervaardigd hebben. Al in de late zeventiende eeuw gingen voorzichtige stemmen op om de associatie tussen de kan en de gravin te verlaten maar nog tot in onze tijd wordt het verhaal te pas en te onpas te berde gebracht. Het past bijzonder goed in het beeld van een onrustige en naïeve landsvrouwe die haar kansen verspeeld had en niet op kon tegen de grote machthebbers in haar omgeving, zoals haar neef Philips van Bourgondië en oom Jan van Beieren. Een treffende parallel overigens met de plaats van de jonge Republiek in de zeventiende eeuw te midden van grootmachten als Frankrijk, Spanje en Engeland. Inmiddels weten we beter.

jacobakanDe aardewerkvorm die we kennen als Jacobakan komt al voor voordat de gravin geboren was en de (tertiaire) klei waarvan deze gebakken werd, komt in Holland helemaal niet voor. De sinds de zeventiende eeuw veelvuldig gevonden Jacobakannen blijken uit het Duitse keramiekcentrum Siegburg afkomstig, van waaruit vaatwerk onder andere naar de Nederlanden werd geëxporteerd. Deze fijnkorrelige klei laat zich goed draaien en bewerken wat tot fraaie resultaten leidde, terwijl de producten op een veel hogere temperatuur gebakken konden worden dan die met de Nederlandse quartaire klei. Hierdoor versmolt de materie als het ware, waardoor de kannen, kommen en schaaltjes waterdicht werden en niet geglazuurd hoefden te worden. Dergelijke keramiek wordt steengoed genoemd, refererend aan de hardheid en ondoordringbaarheid voor vochtige substanties. Hoewel er ook andere steengoedcentra actief waren, is de Jacobakan een typisch Siegburgproduct. De vorm is zeer herkenbaar, wat bij zal hebben gedragen aan het bestendigen van de naam Jacobakan. Dat de benaming een foutieve was, leidde in de loop van de negentiende en twintigste eeuw echter niet tot het in onbruik raken ervan. De ranke kan in diverse geeltinten, met oor, aangeknepen standvoet en rillen op hals en buik wordt in de vakliteratuur nog steeds en vrijwel zonder uitzondering Jacobakan genoemd. Opvallend is dat de naam niet alleen in de Nederlandstalige literatuur zo gebruikt wordt, maar ook in de buitenlandse. En zowel in populairwetenschappelijk publicaties als academische studies wordt de term nog steeds gehanteerd. Bij vrijwel iedere opgraving waarbij resten uit de veertiende en vijftiende eeuw worden ontdekt, komen scherven of complete exemplaren van Jacobakannen tevoorschijn. Hieruit blijkt dat het object in de Nederlanden een brede verspreiding heeft gehad.

De oudst bekende vermelding van de Jacobakan dateert van voor het midden van de zeventiende eeuw. In zijn Batavische Arkadia (Amsterdam 1636) maakt Johan van Heemskerk gewag van de kan in zijn beschrijving van de Hollandse graven en gravinnen. Over de tijd van haar laatste levensfase op Teilingen meldt hij dat de gravin, gekweld door hartzeer haar tijd verdreef door ‘…somtyds … een Conyntjen te vangen…’, maar ook door ‘… zomtyds … een kannetjen uit te drinken, en over haar hoofd in de vyver te werpen…die nu nog by wylen aldaar gevonden wezende, na haren naam Vrouw Jacobaes kruikjes genoemt weden…’ Een jaar eerder refereerde Mattijs van der Houve in zijn Hantvest of Chartre Chronyk (Leiden 1636) ook al aan de kannen in relatie tot Jacoba: ‘…daer de Gravinne Vrou Jacoba uyt plach te drincken, sommige heel als oftse nieu waren, sommighe wat ghebroocken, die noch op het huys te Roosen-burgh bewaert worden’. Sinds deze periode duikt de term Jacobakan herhaaldelijk in allerhande publicaties op. Bekende zeventiende- en achttiende-eeuwse oudheidkundigen als Adriaan Pars, Henrik Cannegieter en Gerard van Hasselt behandelen de Jacobakan in hun publicaties. Pars (Catti Aborigines Batavorum, Leiden 1697) ging zo ver om de geschiedenis bij te stellen in dienst van de Jacobakan-mythe. Omdat, zo stelde hij, bij graafwerkzaamheden bij het Huis ’t Sand bij Katwijk Jacobakannen waren gevonden, kon het niet anders zijn dat de gravin ook hier gewoond had. Het leverde hem de kritiek op van Kornelis van Alkemade, die in een brief licht spottend de bewering van de hand deed:

"Ik heb er gezien die 6 a 8 voet onder de aarde in ’t  afzanden van de Klingeduinen buiten den Haag gevonden zyn, als ook Hertehoornen: dog hoe ze daar komen daar vallen al veele zoete bedenkingen op. Zoo dit al Jakoba raakte, zou ze daarom onder de duinen in ’t Zand gewoond en horens gedragen of gebruikt hebben?"

Cannegieter (Eerste brief over byzondere Nederlandsche Oudheden, Arnhem 1757) gaat ook ver met zijn interpretatie. Hij meent dat de kannen oorspronkelijk uit de Romeinse Tijd dateren en als urnen (‘lijkbussen’) dienden, om later in de middeleeuwen hergebruikt te zijn als drinkkan. Van Hasselt (Over Vrouw Jacoba’s Kannetjes, Amsterdam 1780) is de eerste die serieus met het onderwerp aan de slag gaat en al dicht bij een juiste interpretatie terecht komt. De Arnhemse jurist en oudheidkundige verwerpt de eerder gesuggereerde dateringen, de inlandse herkomst en de associatie met Teilingen en daarmee met Jacoba. Verschillende negentiende eeuwse auteurs, waaronder G.D.J. Schotel en J. Craandijk, pakken het onderwerp op en trachten door nieuwe vondsten en interpretaties het verhaal te nuanceren. De Jacobakan-mythe blijkt echter sterk en wordt tot op de dag van vandaag tijdens kasteelrondleidingen en middeleeuwse manifestaties als smeuïge anekdote opgedist. En natuurlijk is het een aansprekende geschiedenis, die, hoewel gefalsificeerd, de moeite waard is om te vertellen en bijdraagt aan de historiografie van de archeologie.

Literatuur

Alkemade, K van en P. van der Schelling, Nederlands Displegtigheden, vertoonende de plegtige gebruiken aan den dis, etc., Rotterdam 1732-1735, Vol. 2, p. 466-.

Brugge, J.P. ter ‘Jakoba’s Kruikjes. De historiografie van de gelijknamige Siegburg-kan., in: D. Kicken, A.M. Koldeweij en J.R. ter Molen; ‘Gevonden Voorwerpen/Lost and Found. Opstellen over middeleeuwse Archeologie voor/ Essays on medieval Archaeology for H.J.E. van Beuningen’, Rotterdam 2000, pp. 62-72.

Cannegieter, H., Eerste brief over byzondere Nederlandsche Oudheden, Arnhem 1757.

Craandijk, J., Wandelingen door Nederland’, Haarlem 1885.

Hasselt, G. van, Over Vrouw Jacoba’s Kannetjes, Amsterdam 1780.

Heemskerk, J. van, Batavische Arcadia, Amsterdam 1637.

Houve, M. van der, Hantvest of Chartre Chronyk, etc., Leiden 1636.

Janse, A., Een pion voor een dame; Jacoba van Beieren (1401-1436), Amsterdam 2009.

Pars, A., Catti Aborigines Batavorum, Leiden 1697.

Schotel, G.D.J. ‘Iets over het Slot Teilingen en de bezigheden van Jacoba van Beijeren

op hetzelve, in: Hollandsche Magazijn van letteren, wetenschappen en kunsten,

Amsterdam 1832, p. 289-318.

Schotel, G.D.J. ‘Vrouw Jacoba Kannetjes’ in: De Oude Tijd, Haarlem 1869.