Verzamelingen en Wereldtentoonstellingen
Met de koloniale expansie ontstonden ook verzamelingen van voorwerpen uit de koloniën. Gedreven door verzameldrang en nieuwsgierigheid werden de niet-westerse objecten in curiositeitenkabinetten of volkenkundige musea bewaard en tentoongesteld als kunstwerken. Ook de wereldtentoonstellingen die vanaf halverwege de 19de eeuw georganiseerd werden en waar landenpaviljoens vanuit de hele wereld een afspiegeling gaven van de wereld in het klein, zorgden ervoor dat niet-westerse beeldcultuur steeds zichtbaarder was geworden. Het gebrek aan feitenkennis bracht echter een stroom van fantasieën over de overzeese volkeren op gang.
De exotische maskers en beelden die hier in het Westen gezien werden als kunstwerken, zijn niet altijd als zodanig bedoeld in hun oorspronkelijke land van herkomst. Beelden werden daar meestal gemaakt met een bepaald doel. Ze speelden een rol in de religie of in huiselijke rituelen. Het gaat er dan niet om wie het gemaakt heeft en of diegene zichzelf kunstenaar noemt, maar waarvoor het object gebruikt wordt. Een heel ander idee.
Wereldtentoonstelling van 1889
Parijs en het Fauvisme
Parijs was aan het begin van de 20ste eeuw het centrum van de kunstwereld. Vele kunstenaars woonden en werkten in de Franse hoofdstad. Daar introduceerden zij elkaar in de West-Afrikaanse en Oceanische sculpturen en maskers die onder andere te zien waren in volkenkundige musea. Veel van hen legden vervolgens zelf ook verzamelingen aan. De Fauvisten, of wilde beesten, worden gezien als de eersten die primitieve kunst als directe inspiratiebron gebruikten. Hun schilderstijl, die haar hoogtepunt kende in 1905-1906, kenmerkt zich door grove vlakken in felle, ongemengde kleuren. Daar komt ook hun benaming vandaan. Fauvisten als Picasso en Matisse bouwden voort op de erfenis van het impressionisme en postimpressionisme, maar voegden daar de nieuwe primitieve vormen aan toe. In de schilderijen van die tijd zie je deze invloeden heel duidelijk terug. Gezichten lijken op Afrikaanse rituele maskers en een natuurgetrouwe weergave van de mens werd steeds minder belangrijk gevonden.
Masker uit collectie Metropolitan Museum New York
Aflevering van Beeldenstorm dr. Henk van Os over primitivisme in het begin van de 20ste eeuw met werk van Rousseau le Douanier en Picasso
Kees van Dongen
Vanaf 1906 schilderde Kees van Dongen voornamelijk portretten van vrouwen, waarbij hij zijn modellen bij voorkeur in gewaagde, felle kleuren en op een sensuele wijze uitbeeldde. Met zijn kleurrijke schilderijen vindt Van Dongen aansluiting bij de fauvisten, die op de Salon d’Automne in 1905 bekendheid krijgen als de ‘meesters van de heftige penseelstreek en de zuivere kleur’. De fauvisten wilden directe scheppen vanuit het instinct, zoals men dat in de primitieve kunst herkent.
Terug naar de kindertijd
De naam CoBrA, een samentrekking van Kopenhagen, Brussel en Amsterdam, verwijst naar de steden waar de kunstenaars van deze groepering vooral werkzaam waren. Nederlandse CoBrA-kunstenaars zijn bijvoorbeeld Karel Appel (Amsterdam 1921 - Zürich 2006) en Constant (Amsterdam 1920 – Utrecht 2005). In het klimaat van wanhoop van na de Tweede Wereldoorlog heerste, wilde deze groep kunstenaars een universele kunst creëren waarmee de creativiteit van de gehele mensheid kon wordenbevrijd. In hun drang naar vrijheid van expressie putten de CoBrA kunstenaars uit verschillende bronnen. In primitieve kunst, kindertekeningen en kunst van psychiatrische patiënten vonden zij een verloren gegane onschuld en een bevestiging van de oerdrang van de mens om uiting te geven aan zijn gevoelens. Ze wilden ontsnappen aan de 'civiliserende' invloeden van de kunst en de samenleving.
In zijn kleurrijke schilderijen probeerde Karel Appel net zo intuïtief te werk te gaan als kinderen. Hij wilde zijn hoofd uitschakelen en direct op doek vertalen wat hij van binnen voelde. Het expressionisme, waaronder de CoBrA-kunst, stuitte op veel kritiek omdat men vond dat alles dat geleerd was over kunst teniet werd gedaan.
Neo-expressionisme
De neo-expressionistische kunstenaars van de jaren 70 en 80 van de 20ste eeuw gebruikten Westerse en niet-westerse beeldelementen door elkaar heen, op een geheel eigen manier. De naïeve en romantische omgang met de primitieve kunst hadden zij inmiddels ver achter zich gelaten. Beelden uit de media, films en tijdschriften schemeren door hun persoonlijke en expressieve schilderstijl heen. De kunstenaars baseerden zich naast op de herkenbare mediabeelden ook op primitieve beelden, die juist niet verwijzen naar de zichtbare werkelijkheid. 'Dog bite/ Ax to grind' is een voorbeeld het spontane en expressieve karakter van het werk van grafitikunstenaar Basquiat. Zijn werk was niet alleen geïnspireerd op graffiti, maar ook op de Art Brut van Jean Dubuffet, de schilderijen van Picasso en vormen van primitieve kunst. In 1984 werd er een tentoonstelling met werk van Basquiat gehouden in Museum Boijmans Van Beuningen.
Primitivisme nu
Primitivisme is een term die vanaf de jaren 60 veel bekritiseerd is. Primitivistische kunstenaars hebben echter nooit bewust een negatieve bijklank aan het woord gekoppeld. Picasso was vol lof over de primitieve kunst en vond zelfs dat deze niet te overtreffen was. Een nieuw inzicht in het gebruik van de term en de invloed van het niet-westen komt pas na de Tweede Wereldoorlog. Westerse kunstenaars laten zich niet zozeer meer inspireren door de vormentaal, maar vooral door de niet-westerse ideeënwereld. Dit uitte zich bijvoorbeeld in de Sjamanistische happenings van Joseph Beuys (Krefeld 1921 - Düsseldorf 1986). Tegelijkertijd kwamen ‘black-consciounceness’-bewegingen op: afro-Amerikaanse en Afrikaanse kunstenaars oriënteerden zich op de historische relatie tussen het Westers primitivisme en het Afrikaanse erfgoed en probeerden hier een hedendaagse vorm aan te geven.
Ook in de hedendaagse kunst zijn voorbeelden te vinden van kunstenaars die hun aandacht richten op zowel westerse kunst als op andere culturen. Een voorbeeld hiervan is kunstenaar Roy Villevoye die inspiratie opdoet tijdens zijn reizen buiten Europa, onder meer naar het Indonesische Papua, de voormalige Nederlandse kolonie Nieuw Guinea. In 2008 organiseerde Museum Boijmans Van Beuningen een tentoonstelling van deze kunstenaar.
Happening Joseph Beuys "Wie man dem toten Hasen die Bilder erklärt" (How to explain the pictures to the dead hare)






