Mode

Mode en kleding… we volgen het op de voet of maken ons er niet zo druk om. Iets dat vandaag de dag ontzettend hip is, blijkt volgende week alweer hopeloos ouderwets. We proberen nieuwe dingen uit, trends volgen elkaar steeds sneller op. Mode is ontzettend een kwestie van smaak. Met mode en kleding verzorg je jezelf niet alleen, je kunt er ook een bepaald statement mee maken, of laten zien wat je van de wereld vindt, of van welke muziek je houdt.
Mode lijkt misschien iets van de laatste decennia, maar niets is minder waar. Al eeuwen houdt men zich bezig met de mooiste haardracht, de nieuwste rok, de meest aparte tas.
Deze pagina laat een aantal kunstwerken in de collectie van het museum zien, die de kledingsmaak van een bepaalde tijd tonen. In grote stappen door de kostuumgeschiedenis.

 

Middeleeuwen

Vooral praktisch

Op 'De zeven werken van barmhartigheid' van de Meester van Alkmaar uit 1504 zijn zowel arme mensen als welgestelden te zien. Afgebeeld zijn de zeven werken van barmhartigheid: het spijzigen van de hongerigen, het laven van de dorstigen, het kleden van de naakten, het begraven van de doden, het herbergen van de reizigers, het bezoeken van de zieken, het vertroosten van de gevangenen. Door je als mens goed aan deze ‘regels’ te houden, kon je een plaatsje in de hemel verwerven. Het schilderij geeft een redelijk realistisch kijkje in een Middeleeuwse stad. Wat alleen niet klopt is het feit dat de steden in die tijd niet zo schoon en opgeruimd waren (open riolen…) en dat de meeste gebouwen nog niet in steen maar van hout werden gebouwd. De arme mensen zijn eenvoudig gekleed, soms zelfs in lompen. Kleding was voor hen vooral praktisch, het werd gedragen tot het echt op was. Over het algemeen dragen de mannen op dit werk een tunica tot op de knie, met een gordel erom. Sommigen van hen hebben een overkleed, een tabbaard aan, met afhangende mouwen, waarin een split zat om de armen doorheen te steken. De man op paneel 2 draagt aan zijn gordel allerlei praktische dingen, zoals een drankflesje, net als de mannen op paneel 5. De spelden op de hoofddeksels van deze laatsten zijn insignes die ze van verre reizen, vaak bedevaarten, meenamen, als aandenken en als ‘bewijs’ dat ze er geweest waren. De kennelijk wat meer gefortuneerde mensen, op deze panelen de mensen die de goede daden verrichten, dragen kleding van fijnere stoffen.

De zeven werken van Barmhartigheid: paneel 3
Paneel 3 van 'De zeven werken van Barmhartigheid' van Meester van Alkmaar

Herkenbaarheid
De vrouwen dragen in deze periode een lang kleed met de taille op de normale plaats. De mouwen lopen iets wijd uit. De ‘kapjes’ die je op alle panelen ziet worden een béguin genoemd. Deze werd in eerste instantie gedragen door de begijnen, een religieuze orde voor vrouwen, meestal rijke weduwen, die, huiverig voor op geld beluste heren, gingen samenwonen in een béguinage. Ze maakten zich herkenbaar door het dragen van een witte lap op het hoofd. Deze lap werd dubbelgevouwen en vervolgens met de vouw naar beneden op het hoofd gelegd. Met bandjes werd de doek onder de kin vastgemaakt. In de loop van de tijd werd de béguin een dracht voor volksvrouwen en zie je verschillende variaties, maar de vouw boven op het hoofd bleef.
Overigens droegen rijke vrouwen in deze tijd steeds vaker een korset. Eerst een lijfje van stevig stof, om de taille in te snoeren, later gemaakt van metalen banden. De banden liepen door tot in de liezen, om de draagster te dwingen rechtop te staan en te zitten. Aan hun voeten dragen de vrouwen zogenaamde trippen. Dit waren houten zolen met leren of zijden riemen, soms versierd met gouddraad. De mannen droegen korte leren laarsjes.

Renaissance

Geboorte van de mode
Met de Renaissance werd de macht van de Kerk op veel terreinen steeds minder: naast God begon men ook de mens, het leven op aarde en het individu belangrijk te vinden. Niet geboorte, maar rijkdom bepaalde de maatschappelijke positie van iemand. Degenen die welgesteld waren, lieten dat dan ook graag in hun kleding zien. Kleding hoefde niet langer, zoals de kerk altijd voorschreef, verhullend te zijn. Men kreeg meer aandacht voor hoe men er uit zag en wat men droeg; de geboorte van ‘mode’. De Europese vorstenhoven wilden niet onder doen aan elkaar en maten hun rijkdom dan ook graag breeduit. Zij hadden grote invloed op de mode: iedereen die het zich kon veroorloven keek naar wat er aan het hof gedragen werd.
De welvarende dame hieronder, geportretteerd door Jan Mostaert, is elegant gekleed. Ze draagt een béguin. Hoewel niet te zien, heeft deze dame waarschijnlijk, zoals zoveel vrouwen in die tijd, een korset aan. Ze draagt een lang kleed met een horizontale halsuitsnijding. Eronder draagt ze een wit hemd, waarvan de mouwen onder haar rode hemd vandaan komen. In haar kleed verdwijnt een ketting, hieraan zit waarschijnlijk een crucifix. Het was in die tijd gewoon om zoiets onder de kleding dicht bij je hart te dragen. Over haar kleed draagt ze een bruin gewaad dat volledig met bont is gevoerd. De wijde mouwen zijn bijna tot aan haar schouders teruggeslagen.
We weten niet wie deze vrouw was. Waarschijnlijk is het een huwelijksportret, met het portret van haar man vormde dit dan een diptiek. Zou ze daarom haar ring vasthouden?

Jan Mostaert, Portret van een vrouw, 1520-1525
Jan Mostaert, Portret van een vrouw, 1520-1525

Lange mantel, hoge pelskraag en baret
Reinerus Frisius Gemma, hieronder te zien in een portret gemaakt door van Maerten van Heemskerck, vond in 1544 de camera obscura uit en publiceerde een jaar later een boek over de zonsverduistering van 1544, compleet met tekeningen. De man wilde graag op zijn portret laten zijn ‘beroep’ laten zien en hij liet zich dan ook trots weergeven zoals geleerden vaak werden afgebeeld: met een lange mantel, hoge pelskraag en karakteristieke baret (er is wel eens geopperd dat geleerden deze kleding verwees naar de lange koude nachten die geleerden doorwerkten in hun studievertrek). De mantel heeft splitten in de mouwen voor de armen. Onder de mantel is nog net een fijngeplooid hemd te zien met borduurwerk. Vaak zag je op een zo’n geleerdenportret ook nog boeken en schrijfgerei, maar dat is hier achterwege gelaten.
Op de cartouche rechtsboven staat te lezen: Lux tenebris rursus-luci tenebre fugienti succedunt - stabilis res tibi nulla manet. Dit betekent zoveel als Het licht verkeert in duisternis - Duisternis volgt op het ontvliedend licht - Geen ding blijft voor U standvastig. Een verwijzing naar de vergankelijkheid van het aardse leven. Ook de doorzichtige (wereld)bol, die Gemma vasthoudt en waarop de elkaar opeenvolgende seizoenen zijn afgebeeld, is een vanitas symbool.
Nog steeds kleden universitaire hoogleraren zich (zij het bij speciale gelegenheden) als een geleerde van toen.

Gouden eeuw

Huiskleding
In het schilderij van Jan Steen (So gewonnen, so verteerd, 1661) waarschuwt de schilder met de titel van het schilderij dat zoiets betekent als ‘snel verdiend, snel uitgegeven’ tegen het kansspel trik trak, dat in de achterkamer wordt gespeeld.
In de voorkamer staat rechts een vrouw die ‘huiskleding’ draagt: een lange rok met een kort jackje. Mantels waren bij de dames in deze tijd niet geliefd. De vrouw kwam weinig buitenhuis, en wanneer ze dit deed droeg zij liever een zeer brede bontkraag, een kort capeje met capuchon of een zwarte omslagdoek. Binnenshuis was het korte, met bont of wol afgezette huisjackje dus heel populair. In plaats van de hooggehakte schoenen die ze buiten aan hadden, droegen ze binnen muilen/ slippers. De haren waren strak naar achteren gekamd, soms met een klein kapje.
Het jongetje op de voorgrond is als een volwassene gekleed. In deze tijd was dit gebruikelijk, er bestonden geen speciale kinderkleren.

Molensteenkraag
De dame in het portret van Rembrandt, Aletta Adriaensdochter, is al op leeftijd en heeft voor die tijd (rond 1640) tamelijk ouderwetse kleding aan, met name de kraag. Haar donkere strak zittende kleding is nog afgeleid van de mode die tijdens de Spaanse overheersing gold. Waarschijnlijk (dit is wat moeilijk te zien) draagt zij de typisch Hollandse 'vlieger', een mantel voor de vrouw van zwarte, zware stof. Het 'lijf' of de 'borst' is een los kledingstuk, dat aan de vlieger vastgespeld werd. Het werd fraai versierd, soms met pareltjes of edelstenen, en stak naar voren vanaf de taille. Aletta’s haar is weggestoken onder een mutsje. Eerst kwam de ondermuts, direct op het - vaak vieze, vette haar, daarboven een siermutsje. Onder haar rok droegen de dames wel 3 onderrokken, vaak met een heuprol: een ronde brede rol, aan de voorkant met een veter gestrikt; hierdoor stond de rok wijduit.
Aletta draagt een bijzondere kraag: de molensteenkraag of lubbenkraag. Het is een ronde kraag van geplooid wit linnen. Deze kraag was in Nederland in de mode vanaf het einde van de 16de eeuw (invloed van het Spaanse hof) tot en met het eerste kwart van de 17de eeuw. De lubbenkraag begon klein, maar kreeg een steeds grotere diameter, totdat hij tenslotte op een molensteen leek.
Het maken van zulke grote kragen was een ingewikkeld en tijdrovend karwei en er was heel veel stof nodig, soms wel 15 meter. De kostbare kragen werden gedragen door welgestelden, zowel heren als dames. Er wordt wel gezegd dat de kragen ook een functie hadden: de kleding die de mensen droegen was over het algemeen donker. De kragen vingen huidschilfers op. Op het wit van de kraag zag je dat toch niet, op het donkere goed zou je dat wel goed hebben gezien.

Mode volgens de Zonnekoning
In de gouden eeuw kleedden rijke Hollandse burgers zich volgens de mode die werd gedragen aan het Franse (Lodewijk de Veertiende, de Zonnekoning met al zijn overdaad) en het Engelse (Karel de Eerste) hof. Zoals veel mannen draagt Abraham del Court (geportretteerd door Bartholomeus van der Helst in 1654) een Rhingrave-kostuum, waarschijnlijk genoemd naar Rijngraaf Pfaltz die het pak geïntroduceerd zou hebben aan het Franse hof. Het kostuum lijkt nonchalant door de soepele stoffen en een overdaad aan linten, strikken, pluimen en kant. Het bestaat uit een enorme rokbroek die op de knieën hangt en waarin soms wel 15 meter stof verwerkt werd. Daarboven een korte wambuis met daaronder wijde hemdsmouwen. Hij draagt zijn haar heel modieus: tot over de schouders, scheiding in het midden en platgekamd. Soms hadden mannen van nature uiteraard geen weelderige haardos en dan moest er vals haar aan te pas komen. Het gezicht is gladgeschoren, met uitzondering van een snor. Bij zo’n kostuum werden schoenen gedragen, met vierkante neuzen en strikken, geen veters.
De kleding van de vrouw werd in deze tijd ook luchtiger als voorheen: soepele, lichte stoffen, zoals satijn en dunne zijde, zoals de jurk van Maria de Keersegieter. De jurk is wat gewaagder en eleganter dan in de vorige periodes: bijna blote schouders en kortere mouwen. Vrouwelijke vormen mochten gezien worden. De vrouw heeft een slank bovenlijf, waarschijnlijk draagt zij een korset met baleinen. Het ‘flapje’ op haar buik loopt in een punt toe, waardoor de vrouw nog slanker lijkt. Om haar schouders draagt ze een halsdoek/ gesteven kraag. Ze heeft een onder- en een overrok. Het satijn is effen, zodat ‘het licht er mooi mee kan spelen’. Het haar is ook volgens de mode vrij plat, versierd met parels. Het is hier niet goed te zien, maar schoenen van vrouwen hadden in die tijd vaak erg hoge hakken, soms wel 8 cm. Ze werden ‘talons Louis’ genoemd, naar Lodewijk de 14de die slechts 1.63 m was en graag hakken droeg.

18e eeuw

Op het schilderij 'Het blindemanspel' van Cornelis Troost, vermaakt de gegoede burgerij van de 18de eeuw zich met het spelen van blindemannetje. De mannen dragen een lange jas. Daaronder een vest, en een kuitbroek met kousen. De schoenen van de man waren in deze periode vaak hoog en breed gehakt. Bij de vrouw lag de nadruk op de rok, die in deze tijd steeds wijder werd, eerst met behulp van hoepels van walvisbaleinen, later met demi-paniers, een soort verstevigde ‘zijzakken’, zodat de voorkant en de achterkant van de rok afgeplat. Dit zorgde voor heel wijde heupen. Een slanke taille was het toppunt van schoonheid, en vrouwen regen hun bovenlichaam dan ook flink in met een corset. Het decolleté is diep, de mouwen tot aan de ellebogen.
De vrouw droeg wel 5 lagen kleding. Eerst kwam een lang onderhemd (dus geen onderbroek), dan een onderrok (om bij het heen en weer deinen inkijk te voorkomen), dan de hoepels, dan nog een onderrok en dan de bovenrok. Onderbroeken werden alleen gedragen door danseressen en oude dames.
Zowel bij de man als bij de vrouw lag het haar plat op het hoofd. De vrouw droeg linten en bloemen in het haar. Ook poederde men het haar, liefst licht grijs, omdat ouderdom in hoog aanzien stond. Make-up was een must. Een bleek gezicht was namelijk een teken dat iemand niet vaak buiten kwam, dus geen zware arbeid hoefde te verrichten en daarom wel van goede komaf moest zijn. Het gezicht werd spierwit gemaakt.

19e eeuw

Schapenboutmouwen en haarstukken
Aan het begin van de 19de eeuw werden stoffen steviger en dikker, de vrouwen droegen korsetten, en rok en lijf waren afzonderlijke delen. Rond 1830 kwam het accent op de mouw te liggen, de zogenaamde schapenboutmouwen ontstonden. Enorme kopmouwen, die eerst van stevig stof, later met baleinen of ijzeren geraamtes werden gemaakt om ze in model te houden. De dame het portret van Kruseman uit 1829 draagt ook dergelijke mouwen. Mantels passen over dit soort jurken niet heen, een vrouw droeg dan ook vooral capes tegen de kou buiten.
De dame op het portret van Kruseman draagt geen muts, maar een uitbundig ‘haarstuk’ dat op het haar gespeld kon worden. Haar haar zit achter het stukje hoogstwaarschijnlijk in een ingewikkelde knot (‘Apolloknot’) opgestoken. De krullen op haar slapen zijn van nephaar, en werden met Arabisch gom en suikerwater in model gehouden. Verder heeft zij een sjaal met gesp, en vallen vooral de lichtere kleuren van haar sjaal en linten op. De kasjmieren sjaal, het kant en alle materialen zijn tot in detail nauwkeurig weergegeven. J.W. Pieneman was een societyschilder in Holland, hij portretteerde onder andere dames die behoorden tot de gegoede klasse en de Parijse mode op de voet volgden.

Speelkleren
Tot ver in de 18de eeuw werden kinderen gekleed als een volwassene. Kinderkleding bestond niet. Kinderen tot een jaar of zeven droegen allemaal een jurk, meisjes EN jongens (dat was handig met de ontlasting, onze luiers bestonden nog niet). Op de rug hingen vaak lange linten waarmee de moeder haar kind kon vasthouden. Dit was nog tot ongeveer 1900 gebruikelijk. Na die leeftijd kregen meisjes bijvoorbeeld gerust een korset aan. Aan het eind van de 18de eeuw zien we voor het eerst in de geschiedenis dat een kind niet meer aangekleed wordt als een miniatuur-volwassene. Het werk van de Franse schrijver en filosoof Jean- Jacques Rousseau is daarvan de belangrijkste oorzaak. Zijn vernieuwende ideeën over de opvoeding hadden invloed op de kleding. Het kind moest zich makkelijk kunnen bewegen en daarom was het niet meer nodig dat een meisje een korset aan moest en kregen jongens een lange broek aan.
Op het portret van een jongen van de kunstenaar Pieneman is een jongentje te zien in zijn speelkleren, met zijn speelgoed in zijn hand en zijn hond naast zich. Zijn kleding is van mooie materialen gemaakt, hij was dan ook duidelijk van goede komaf.

20ste eeuw

Hooggesloten blouses
De meisjes in het schilderij uit 1905 van Munch dragen vrij eenvoudige kleding: hooggesloten blouses met kraag, wijde lange rokken, grote strooien hoeden en strikken/ vlechten in het haar.
De blouses die de meisjes dragen zijn eigenlijk wat betreft hygiëne heel revolutionair. Waar een hele japon met sleep lastig te wassen viel, was een blouse (onder een jasje of zo alleen) makkelijk te reinigen. Een grote sprong in hygiëne.

Vrijgevochten
In de Eerste Wereldoorlog hadden vrouwen veel werk van mannen overgenomen om de maatschappij draaiende te houden (veel mannen vochten in de oorlog en waren dus lange tijd van huis). De situatie van de vrouw was na de oorlog dan ook heel anders dan ervoor: niet langer ‘decoratie’ van haar man, maar ze dacht voor zichzelf en trok er op uit. De kleding ging er dan steeds meer ‘vrijgevochten’ uitzien: geen stijve korsetten, maar rechte jurkjes, tot net onder de knie (!). Het haar werd kort gedragen, haast een herenkapsel. Coco Chanel introduceerde nieuwe stoffen en veel mannelijke elementen (de pantalon, de trui, de ceintuur). Het Chanelpakje (rok met jasje) kennen we nu nog steeds.
De kleding van de man was in die tijd breed in de schouders en smal in de heupen. Het geklede pak met vest had een getailleerd jasje, sportieve colberts zijn rechter van model. Het overhemd was van een vaste boord voorzien, gedragen met een kleurige das of vlinderdas. Veel sportieve kleding zoals tweed jasjes, blazers, V-halstruien, plusfours, krijtstreepbroeken met wijde pijpen. Het haar werd kort gedragen zonder scheiding of met een zijscheiding, glad gekamd met brillantine. Op het hoofd een deukhoed of pet. Eigenlijk verschilt het haast niet van zoals we de pakken nu nog kennen. Het werk 'De maaltijd der Vrienden' van Charley Toorop geeft een aardig beeld van het modebeeld in de jaren dertig.

Sluiten

Mijn Boijmans

spring naar boven

spring naar boven