Een huis voor de kunst - het museumgebouw

Hoe kan architectuur de beleving van kunstwerken versterken? Duik hier in de rijke geschiedenis van het museumgebouw.

Het onderkomen van Museum Boijmans Van Beuningen heeft in de loop der tijd verschillende gedaanten aangenomen en is ook nog eens flink uitgebreid. Directeuren en architecten hebben telkens weer sterke visies gehad op de optimale behuizing van de collectie. Hoe kan architectuur de beleving van kunstwerken versterken? Deze vraag loopt als een rode draad door de geschiedenis van het museumgebouw.

Jan Rothuizens getekende museumbezoek


Het Schielandshuis 1849

In 1849 krijgt de door F.J.O. Boijmans geschonken collectie haar eerste onderdak: het Schielandshuis aan de Korte Hoogstraat, in 1662 gebouwd voor het hoogheemraadschap Schieland, dat toezicht hield op dijken, polders en waterhuishouding.

Hollands classicisme

Dit Hollands classicistisch gebouw is ontworpen door Jacob Lois (Rotterdam 1620 - Rotterdam 1676), in nauwe samenwerking met bouwmeester Pieter Post (Haarlem 1608 - Den Haag 1669). Laatstgenoemde maakte ook het ontwerp voor het Mauritshuis (1634-1644).  

In 1864 ontstaat een verwoestende brand in het Schielandshuis. Maar liefst twee derde van de verzameling gaat in vlammen op. Nadat het uitgebrande gebouw gerestaureerd is, wordt het resterende deel van de collectie opnieuw tentoongesteld en in rap tempo aangevuld met nieuwe aanwinsten die met het verzekeringsgeld kunnen worden aangekocht.

Cornelis van der Griendt, De brand van het Schielandshuis op 15/16 februari 1864, zwart krijt, pen in bruine inkt, grijs en rood gewassen, wit gehoogd, schenking: C. van der Grient 1900
Cornelis van der Griendt, De brand van het Schielandshuis op 15/16 februari 1864, zwart krijt, pen in bruine inkt, grijs en rood gewassen, wit gehoogd, schenking: C. van der Grient 1900

Al gauw wordt het pand te klein, zeker doordat ook de bibliotheek en het Gemeentearchief erin gehuisvest moeten worden. De dependance voor moderne kunst aan de Boymansstraat (het huidige Bulgersteyn) blijkt ook niet genoeg plek te bieden. Het is tijd voor een nieuw museumgebouw.

Binnen in het Schielandshuis.
Binnen in het Schielandshuis.

Het Van der Steurgebouw 1935

Stadsarchitect Adrianus van der Steur (Haarlem 1893 - Rotterdam 1953) wordt aangewezen als de meest geschikte persoon voor deze opdracht. Als stadsarchitect drukt hij tijdens het Interbellum zijn stempel op Rotterdam. Museum Boymans beschouwt hij als zijn belangrijkste werk. In die tijd heerst er een rivaliteit tussen de vernieuwende modernisten en de behoudende traditionalisten. Van der Steur neemt positie in tussen beide kampen. Er is niet één bouwstijl waar hij schatplichtig aan is; hij laat zich door verschillende stijlen inspireren en kiest voor elke opdracht een geschikte variant.

A.J. van der Steur
A.J. van der Steur

Van der Steur en directeur Dirk Hannema (1921-1945) gaan op studiereis door Europa om te kijken hoe andere kunstmusea omgaan met de optimale presentatie van hun collectie, rekening houdend met aspecten als publieksstromen en lichtontwerp. Een goed museumgebouw moet volgens Van der Steur een tegenwicht bieden tegen de zware geestelijke inspanning van een museumbezoek. Onmogelijke trappen, zware kleuren en een onoverzichtelijke groepering van kunstwerken kunnen een bezoek tot een kwelling maken.

Vernieuwend is een systeem voor museale klimaatbeheersing dat onderdeel is van het architectonisch ontwerp. Veel aandacht gaat ook uit naar verlichting. In een tijdelijk gebouw test Van der Steur bij welk licht kunstwerken het beste tot hun recht komen. Door middel van zijlichten op de begane grond en bovenlichten op de eerste verdieping kan kunst zo veel mogelijk bij daglicht worden bekeken.

Daglicht

Het daglicht dat via het dak naar binnen valt zorgt voor een optimale beleving van de kunst. Voor de donkere winterdagen wordt deze natuurlijke verlichting bijgestaan door gasontladingslampen waarvoor speciale op de daglichtzolder armaturen zijn aangebracht. Ook met sneeuwval is rekening gehouden: stoomleidingen kunnen de sneeuw op het dak doen smelten.

Wist je dat

de verlichting van het Rijksmuseum is gebaseerd op die van het Museum Boymans? Van der Steurs vondsten krijgen veel bewondering van de museumwereld.

Weiland

Het Land van Hoboken (landgoed Dijkzigt) - nu het Museumpark maar toen nog een rustig weiland achter de Westersingel - wordt de nieuwe locatie voor het museum.

Eindelijk is het zover: tussen 1928 en 1935 wordt het nieuwe museum gebouwd.

Mike Redman: van project tot object

Deze video is een korte montage van het gelijknamige, 53 minuten durende filmische verslag dat G.L. Theijssen tussen 1932 en 1935 maakte over de bouw van het museum. De oorspronkelijke film is zonder geluid. Mike Redman, Rotterdams filmer en musicus, brengt niet alleen het verhaal terug tot een voor onze haastige tijd aanvaardbare lengte, maar maakt ook de muziek hoorbaar die in de stille beelden besloten ligt.

De gesloten muren om een binnenplaats en buitenhof (aan de Westersingel) ogen traditioneel. Herkenbare groene accenten verlevendigen de donkerrode bakstenen, die speciaal voor het museum zijn gemaakt. Een hoge toren markeert de monumentale hoofdingang, als het vertrekpunt van een chronologische reis door de kunstgeschiedenis. Het ingetogen maar imposante gebouw verraadt invloeden van Scandinavische architectuur. De Zweedse architect Ragnar Östberg (Stockholm 1866 - Stockholm 1945) was een belangrijke inspiratiebron. Dat is vooral goed te zien bij een vergelijking van het Museum Boijmans Van Beuningen met het stadhuis van Stockholm.

Toren

De toren heeft in de loop der tijd verschillende rollen vervuld: van onderwijslokaal tot werkplek tot opslagruimte. Vandaag de dag wordt de toren niet gebruikt.

De toren krijgt geen duidelijke functie, behalve dat deze volgens Van der Steur ritmisch en logisch gezien architectonische noodzaak zou zijn. Volgens zijn oud-medewerker W. van den Berg vindt hij de toren gewoonweg mooi. Directeur Hannema verbindt er een symbolische betekenis aan, verwijzend naar de hogere waarden van de schilderkunst. Dit sentiment krijgt kritiek van de gemeente, die vindt dat het museum zich ‘op een ongepaste wijze verheft boven het nuchtere leven van alledag’. Architect Alexander Bodon zou zich hier waarschijnlijk wel in kunnen vinden; de niet-functionele toevoeging van een toren is voor hem ondenkbaar.

Het interieur biedt een intiem inkijkje in de privécollecties van kunstverzamelaars. De zalen hebben het formaat van de woonruimtes van particulieren, en weerspiegelen zo de geschiedenis van het museum dat dankzij schenkingen en bruiklenen van particuliere verzamelaars is ontstaan.

De Bodonvleugel 1972

Het nieuwe museumgebouw is een succes, en al in de jaren 40 worden plannen gemaakt voor een uitbreiding. Het ruimtegebrek wordt vooral nijpend als de omvangrijke verzameling van D.G. van Beuningen (1877-1955) zich bij die van F.J.O. Boijmans voegt. Vooral voor het presenteren van moderne kunst - vaak van groot formaat - zijn de kleine kabinetten problematisch.

Wassende bogen

Moderne doeken, installaties of sculpturen kunnen een enorme omvang hebben. Kijk maar naar de ‘Wassende Bogen’ van Richard Serra (1980). Ze zijn speciaal voor de nieuwe vleugel gemaakt.

Met een toekomstige uitbreiding van het museumgebouw is al in het oorspronkelijke ontwerp van Van der Steur rekening gehouden. Door zijn overlijden redt hij het echter niet zijn onafgemaakte werk te voltooien. Op zijn sterfbed in 1953 noemt Van der Steur collega Alexander Bodon (Wenen 1906 - Amsterdam 1993) als mogelijke opvolger voor zijn plannen.

In plaats van voort te bouwen op de ideeën van zijn voorganger, trekt Bodon zijn eigen plan, in afstemming met directeur J.C. Ebbinge Wubben (1950-1978). Flexibiliteit en transparantie vormen de criteria voor de uitbouw. Er wordt een geheel nieuwe vleugel gebouwd aan de kant van de Westersingel, waardoor een nieuw binnenplein ontstaat.

Glas

Op de begane grond kunnen voorbijgangers door de glazen buitenwanden naar binnen kijken als een soort etalage.

Aan de straatkant komt een nieuwe ingang ‘moderne kunst’ onder een vooruitstekende luifel. Men vindt er onder andere een nieuw prentenkabinet, op de eerste verdieping een grote tentoonstellingsruimte. De wanden hiervan zijn verplaatsbaar en daarmee ideaal voor wisselende tentoonstellingen. In lijn met het oude gebouw is het nieuwe gedeelte even hoog en valt het daglicht naar binnen via een transparante dakconstructie.

Een museumgebouw moet zich niet opdringen aan de bezoeker, maar hoort een kalme, neutrale omgeving te scheppen, ook voor het kunstwerk. Dit principe - ondersteund door nieuwe bouwkundige mogelijkheden - resulteert in transparante, open architectuur.

Form follows function

Als lid van architectengroep De 8 en vertegenwoordiger van het Nieuwe Bouwen in Nederland is architectuur volgens Bodon een dienend ambacht. ‘Form follows function’ luidt het motto: de functie is het uitgangspunt voor het ontwerp.

Qua karakter is de Bodonvleugel een wereld van verschil met Van der Steurs ontwerp: de introversie van het plechtige collectiegebouw contrasteert sterk met de open, extraverte tentoonstellingsruimte. De reacties zijn lovend: Rotterdam heeft eindelijk een ontmoetingsplaats van internationale allure.

Wist je dat

de nieuwe aanbouw er zo eenvoudig uitziet dat de critici zich afvragen of hier een architect voor nodig is geweest? Een groter compliment kan Bodon zich natuurlijk niet voorstellen; als het aan hem lag had hij het liefst een grote kale doos neergezet.

Paviljoen Van Beuningen-de Vriese 1991

Begin jaren 80 krijgt het museum de grote collectie Van Beuningen-de Vriese te leen, die uiteenlopende gebruiksvoorwerpen uit de periode 1150-1800 bevat. Dit bruikleen pre-industriële kunstnijverheid mag het museum vervolgens houden als schenking, onder voorwaarde dat hiervoor een mooie locatie wordt gevonden. Naar aanleiding hiervan ontwerpt architect Hubert Jan Henket (Heerlen 1940) in nauwe samenwerking met directeur Wim Crouwel (1985-1993) een paviljoen aan de tuinkant van het Van der Steurgebouw.

Ze kiezen voor een grote transparante aanbouw, vanwege het prachtige uitzicht op de tuin en vijver, boven een half verzonken souterrain. De tijdloze uitvoering wordt geprezen door de pers en komt op de monumentenlijst van de toekomst.

Foto: Hans Wilschut 2008
Foto: Hans Wilschut 2008

Tegenwoordig huist op de bovenste verdieping het museumrestaurant terwijl in het verzonken gedeelte de collectie Van Beuningen-de Vriese nog altijd een permanente plek heeft.

Uitbreiding Robbrecht en Daem 2003

In 2003 ondergaat het museum opnieuw een transformatie. Het doel is een museum van de 21ste eeuw te worden, waarin de bezoeker en de kunstbeleving centraal staan. Directeur Chris Dercon (1996-2003) wil het museum openbreken, toegankelijk maken en meer met de stad verbinden. Hij kiest het Belgische architectenpaar Paul Robbrecht (Sleidinge 1950) en Hilde Daem (Haaltert 1950) om het gehele museum te herzien en verder uit te breiden. Het duo staat bekend om zijn interesse in de dialoog tussen beeldende kunst en architectuur, waarin juist de contrasten worden benadrukt.

Overzichtelijk geheel

De opdracht luidt: ‘bouw bij, maar maak het kleiner’. De aanbouw en herinrichting moeten ervoor zorgen dat de collectie als geheel op een overzichtelijke manier beleefd kan worden.

Robbrecht en Daem bouwen een U-vorm van beton en glas om het bouwwerk van Bodon heen. De ruimtes tussen de Bodonvleugel en het Van der Steurgebouw worden opgevuld zodat het gebouw meer een eenheid is. Het museum is nu als het ware om drie ‘binnenplaatsen’ gebouwd: de binnentuin, het binnenplein en de grote open zalen van de Bodonvleugel. Bezoekers komen nu binnen via het binnenplein, dat toegang biedt tot de nieuwe entreehal die tegen het tentoonstellingsgedeelte is aangebouwd.

Plattegrond begane grond
Plattegrond begane grond
Plattegrond eerste verdieping
Plattegrond eerste verdieping

Met het sluiten van de oude hoofdingang stellen de architecten een andere museumroute voor aan de bezoekers, met als vertrekpunt een nieuwe trap naar de collectiezalen. Later zal met de komst van directeur Sjarel Ex (2004 - heden) de oude ingang heropend worden zodat de bezoeker kan kiezen welk gedeelte hij eerst bezoekt: de Bodonvleugel met tijdelijke tentoonstellingen of de vaste collectie in het Van der Steurgebouw.

De nieuwe entree
De nieuwe entree
De nieuwe trap
De nieuwe trap

Westersingel

De sloop van een villa geeft ruimte om uit te breiden naar de Westersingel. Hier krijgen de kantoorruimtes in de vorm van transparante galerijen nu een plek.

Op de begane grond krijgt de nieuwe bibliotheek een prominente plek. Volledig toegankelijk voor publiek gaat deze de rol vervullen van ‘kennisinstrument’ binnen het museum. Een nieuw digitaal depot - tot 2008 in het museum aanwezig - ontsluit de dan 140.000 kunstwerken tellende collectie en maakt haar toegankelijk voor iedereen.

De bibliotheek, foto: Paul Jansen
De bibliotheek, foto: Paul Jansen
Het digitaal depot, foto: Tom Haartsen
Het digitaal depot, foto: Tom Haartsen

Opnieuw geven Robbrecht en Daem een eigenzinnige reactie op het bestaande gebouw van Van der Steur. De lichtgroene accenten en verticaliteit van het jaren 30-gebouw komen terug in de glazen panelen voor het beton. De omkadering van de Bodonvleugel met kleine ruimtes refereert aan de intieme kabinetten in de oudbouw. Zodanig verbinden de architecten het verleden met het heden. Maar ook met de toekomst, want een voltooid eindresultaat bestaat niet volgens architect Robbrecht: ‘een museum is nooit af’.

Blockbuster-proof

Door de vernieuwde binnenplaats met entreehal is het museum nu ‘blockbuster-proof’.

Op naar een nieuw Depot

De collectie bestaat vandaag de dag uit zo’n 145.000 objecten, waarvan het grootste deel is opgeslagen in de depots van het museum en op enkele externe locaties. Deze verspreiding brengt veel logistieke problemen met zich mee en veel kunstwerken blijven zo ongezien. Bovendien zijn de bestaande depots verouderd en kampen ze met wateroverlast.

Sjarel Ex, directeur Museum Boijmans van Beuningen, in het depot
Sjarel Ex, directeur Museum Boijmans van Beuningen, in het depot

Om deze redenen ontstaan in 2005 de eerste plannen voor een nieuw depot naast het museum in het Museumpark dat als eerste ter wereld toegankelijk is voor publiek. Het Depot wordt niet alleen de nieuwe schatkamer van Rotterdam, ook krijgt de stad er een spectaculair staaltje architectuur bij. Het Depot wordt waarschijnlijk in 2020 gerealiseerd.

Een nieuw Depot

Sjarel Ex, Winy Maas en anderen leggen in twee minuten uit waarom het Depot zo'n mooi plan is.

Depot

Met de reusachtige spiegelende bloempot van architectenbureau MVRDV is de stad straks een iconisch gebouw rijker. 

Trailer Depot


Kunst en het gebouw

De architectuur van het Museum Boijmans van Beuningen is dus onlosmakelijk verbonden met de kunst die er huist. Het gebouw dient deze op een gepaste manier te omkaderen. Maar andersom spelen ook sommige kunstwerken direct in op de architectuur en functies van het museum. Kijk tijdens je bezoek eens goed om je heen. Is wat je ziet kunst of onderdeel van het gebouw?