De favoriete prent van Bruegel van conservator Peter van der Coelen

De toren van Babel en negentig andere zeer bijzondere topstukken uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen waren onlangs te zien in Tokio en Osaka, Japan. Het is de eerste keer dat in Japan zo’n rijke expositie van de vroegste Nederlandse kunst te zien was. Dezelfde selectie is onder de naam 'BABEL - Oude meesters terug uit Japan' van 3 februari tot en met 21 mei 2018 in Museum Boijmans Van Beuningen te zien. Bijzonder overzicht De tentoonstelling 'BABEL - Oude meesters terug uit Japan' geeft een uniek overzicht van de kunst in de vijftiende en zestiende eeuw en bestrijkt bijna een eeuw, beginnend bij Dieric Bouts en eindigend bij Pieter Bruegel. Bijzonder is de spectaculaire ontwikkeling die de kunst in de Lage Landen in deze eeuw doormaakt: van kunst in het teken van religie naar kunst met andere thema's, zoals landschappen, portretten en stillevens. Naast De toren van Babel zijn in deze expositie nog 38 schilderijen, 43 prenten en tien beelden uit de museumcollectie te bezichtigen. Museum Boijmans Van Beuningen beschikt - als één van de weinige musea ter wereld - over een rijke verzameling vroeg-Nederlandse kunst. Conservator Prenten en tekeningen Peter van der Coelen stelde samen met conservator Friso Lammertse de tentoonstelling samen. Dit is zijn favoriete werk uit de tentoonstelling:

Pieter Bruegel de Oude Brueghel

ca. 1526/1530 Brussel 1569 Gegraveerd door Frans Huys Antwerpen 1522 1562 Schaatsers voor de Sint-Jorispoort in Antwerpen, ca. 1558 Gravure BdH 8020 (PK)

Schaatsers voor de Sint-Jorispoort in Antwerpen

‘Dit Antwerpse ijsgezicht is Bruegels vroegste prent met een voorstelling uit het alledaagse leven. Hij heeft zijn eigen stadsgenoten uitgebeeld bij het schaatsen, een feestelijk hoogtepunt in de wintertijd. De grachten rond de stadsmuren zijn bevroren en bieden vermaak aan jong en oud, zowel op het ijs als aan de kant. De omstanders amuseren zich om de malle houdingen en potsierlijke bewegingen van degenen die zich op het gladde ijs proberen voort te bewegen. Vooral de schaatser die gevallen is en met blote billen op het ijs ligt, trekt de aandacht. Zowel vanaf de brug als aan de zijkant wordt ernaar gewezen, waarbij de reacties uiteenlopen van een geamuseerde blik tot een uitbundige schaterlach.

Wij als kijkers worden door Bruegel uitgenodigd om met de omstanders mee te lachen. Hij gebruikt daarvoor een trucje, namelijk de man helemaal vooraan die op ons afkomt en bijna het beeld uit schaatst. Met zijn angstige gezicht kijk hij ons aan, terwijl hij zijn evenwicht probeert te bewaren door armen en benen breed uit te strekken.’